Tandernaken, al op den Rijn,
daer vant ic twee maechdekens spelen gaen.
Die eene dochte mi, aen haer aenschyn,
haer ooghen waren met tranen ombevaen.
- 'Nu segt mi, lieve ghespele goet,
hoe sweert u herte, hoe truert uwen moet,
waer om ist, dat woudys mi maken vroet?'
- 'Ic en cans u niet gesagen,
tis die moeder diet mi doet,
si wil mijn boel veriagen, veriagen.'
- 'Och lieve ghespele, daer en leyt niet an,
den mey die sal noch bloeyen,
so wie zijn liefken niet spreken en can,
die minne mach hem niet vermoeyen.'
- 'Och, lieve ghespeelken, dats quaet sanck,
den mey te verbeyden valt mi te lanc,
het soude mi maken van sinnen also cranc,
ic soude van rouwe sterven.
Ic en weets mijnder moeder geenen danc,
si wil mijn boel verderven, verderven.'
- 'Och, lieve ghespele, daer en leyt niet an,
nu schict u herteken al in vreden.'
- 'Mijn moeder plach te spinnen, des en doet si niet,
den tijt en is niet lange gheleden,
nu schelt si mi hier, nu vloect si mi daer,
mijn boelken en dorf niet comen naer,
daer om is mijn herteken dus swaer,
ist wonder dat ic truere?
Ende ic en mach niet gaen van haer,
ter veynster, noch ter duere, noch ter duere.'
- 'Och, lieve ghespele, dat waer wel quaet,
wilt sulker tale begheven,
hadde ic ghedaen mijns moeders raet,
ic waer wel maecht ghebleven.
Nu hebbe ic sinen wille ghedaen,
mijn buycxken is mi opghegaen,
ende nu so is hi mi ontgaen
ende gaet elwaerts spelen.
Des moet ic laten so menighen traen,
ic en cans u niet gehelen, gehelen.'
- 'Ghespele, wel lieve ghespele goet,
en sidy dan gheen maecht?'
- 'Och neen ic, lieve ghespele goet,
ende dat si ons heer God gheclaecht.'
- 'God danck, dat ic noch maghet si;
spiegelt u, lieve gespeelken, aen mi
ende wacht u, oft ghi en zijt niet vrij,
ten sal u niet berouwen,
coemt hem nemmermeer niet na bi
oft ghi wort gheloont met trouwen, met trouwen.'
- 'Ghespele, hi seyt dat hi mi mint.'
- 'Dis minne plach mi te lieghen
en ghelooft die clappaerts niet en twint,
si staen al na bedrieghen.'
Doen loech si nen groten schach,
dat was die maghet die op mi sach.
Ic boot haer minnelic goeden dach,
ic groetese hoghelike.
God gheve dat icse vinden mach
bi mi, in hemelrijcke, in hemelrijcke!
Middeleeuws lied.
Tandernaken: te Andernach (am Rhein) /
mer lasen, neen zij: maar helaas, dat doet zij niet /
in staden staan: helpen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Toen den Hertog Jan kwam varen
te peerd parmant al triumfant,
na zevenhonderd jaren,
hoe zong men t'allen kant:
harba lorifa, zong de Hertog,
harba lorifa.
Na zevenhonderd jaren
in dit edel Brabants land.
Hij kwam van over 't water:
den Scheldevloed, aan wal te voet,
t'Antwerpen op de straten,
zilver veren op zijn hoed:
harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
t'Antwerpen op de straten,
lere leerzen aan zien voet.
Och, Turnhout, stedeke schone,
zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen,
laat den Hertog binnenkomen
in dit zomers vrolijk seizoen.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
Laat den Hertog binnenkomen,
Hij heeft een peerd van doen.
Hij heeft een peerd gekregen
een schoon wit peerd, een schimmelpeerd,
daar is hij opgestegen,
dien ridder onverveerd.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
Daar is hij opgestegen
en hij reed naar Valkensweerd.
In Valkensweerd daar zaten,
al in de kast, de zilverkast,
de guldekoning zijn platen,
die wierden aaneengelast.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
De guldekoning zijn platen,
toen had hij een harnas.
Rooise boeren, komt naar buiten,
met de grote trom, met de kleine trom,
trompetten en cornetten en de fluiten
in dit Brabants hertogdom.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
Trompetten en cornetten
ende fluiten in dit Brabants hertogdom.
Wij reden allemaal samen,
op Oirschot aan, door een kanidasselaan,
en Jan riep: 'In Gods name!
Hier heb ik meer gestaan'.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
En Jan riep 'In Gods name!
Reikt mij mijn standaard aan'.
Hij is in Den Bosch geklommen,
al in de nacht, en niemand zag 't,
en op de Sint Jan geklommen,
daar ging hij staan op wacht.
Harba lorifa, zong den Hertog,
harba lorifa.
En op de Sint Jan geklommen
daar staat hij dag en nacht.
Tekst: Fl. van der Putt.
Muziek: H. Beex.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Brembos (1950)
Zing (1977)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Toen Hanselijn over de heide reed
hoe haastig werd hij gevangen!
Hij wierde al op een toren geleid,
geboeiet wel alzo strange, alzo strange.
En dat verhoorde een meisje jong,
een meisje van zeventien jaren;
zij gink al voor haar moedertje staan,
en daarna al voor haar vader, voor haar vader.
Och vadertje, zeide zij, vader van mijn,
mijn aldergenadigste here,
woudt gij mij deze gevangen man geven,
de vrome landsknechtjes ter eren, ja ter eren?
De gevangen man krijgt gij niet,
want hij zal moeten sterven:
hij is er van zeven landsheren verwezen
alzo ver in vreemde erven, vreemde erven.
Het meisje liet bakken twee witte brood,
daarin twee scherpe vijlen;
zij wierp ze al in de toren zo hoog:
hei landsknecht, wilt jou losvijlen, ja losvijlen!
Hij vijlden zo menig nacht en dag,
zo menigen stouten uren,
totdat er den toren ontsloten was;
hei, men zag er nooit landsknecht treuren, landsknecht treuren.
Zij trok hem daar twee laarzen an,
daar toe twee scherpe sporen;
zij zetten hem op haar vaders grauw ros:
landsknecht, geeft de moed niet verloren, niet verloren!
Toen hij ter halverwegen kwam,
hij keek zo dikmaal omme:
hij docht er wel om den toren zo hoog,
maar nog meer om 't meisken was jonge, ja was jonge.
Nu heb ik al die jonkvrouwen lief
al omme de wille van ene;
zij heeft er behouden het leven van mijn,
ach mocht ik haren dienaar wezen, ja wezen!
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Haarlems oudt liedt-boeck (1640)
Pollmann en Tiggers, p178-179 (zie: Bronnen).

Jan Steen,
Vrolijke familie die zingt en musiceert (1670).
|