Een karretje op een zandweg reed
de maan scheen helder, de weg was breed
het paardje liep met lusten,
'k wed dat het zelf zijn weg wel vindt,
de voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis, mêvrind, mêvrind,
ik wens je wel thuis mêvrind!
Een karretje reed langs berg en dal
de nacht was donker, de weg was smal
het paard liep als met vleugels,
de sneeuwjacht zweept zijn ogen blind,
de voerman houdt de teugels.
Ik wens je wel thuis, mêvrind, mêvrind,
ik wens je wel thuis mêvrind!
Eén karretje keert behouden weer
de ander heeft geen voerman meer
waar mag hij zijn gebleven?
'k wed dat je 'em op de zandweg vindt
of moog'lijk wel daarneven.
Hij komt niet weer thuis, die vrind, die vrind,
hij komt niet weer thuis die vrind!
Tekst: J.P. Heije.
Muziek: J.J. Viotta.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Klein vogelijn op groene tak,
wat zingt ge een lustig lied!
Wij hebben in ons hele boek,
zo'n vrolijk wijsje niet.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
Zo zuiver zingt gij en zo hoog,
zo keurig in de maat.
En 't hart dat popelt ons van vreugd,
wanneer uw keeltje gaat.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
Voor zeker 't is de goede God!
Die 't u heeft toevertrouwd.
Opdat gij aan der blinden oor,
zijn goedheid melden zoudt.
O ja, we weten īt aardig beest,
dat God uw meester is geweest.
O ja, we weten 't aardig beest,
dat God uw meester is geweest.
Tekst: J.P. Heije.
Muziek: W. Smits.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Kleine waterdropp'len,
kleine korr'len zand,
vormen zaam de trotsche zee
en het schone land.
Kleine lieve daden,
woordjes teer en zacht,
hebben vaak in 't kleinste huis
het grootst geluk gebracht.
Vertaald uit het Engels.
muziek: Catharina van Rennes.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Kling klang, klink klang! Over het woud
galmen de klokken als engelengezang.
Vleiend met tonen van zilver en goud:
Kling klang, kling klang, kling klang, klang!
Kling klang, klink klang! Statig van stem
roepen de klokken met streelende drang.
Nadert, o, nadert, o nadert tot Hem:
Kling klang, kling klang, kling klang, klang!
Canon.
Tekst: A. Winkler Prins.
Muziek: R. Hol.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
't Knaapje zag een roosje staan,
't roosje op de heide.
't Had zoo'n keurig kleedjen aan,
snel is hij erheen gegaan,
't was of het hem beidde.
Roosje, roosje, roosje rood,
roosje op de heide!
't Knaapje zei: 'Ik pluk u af,
roosje op de heide'.
't Roosje zei: 'Ik weer u af
en ik prik u voor uw straf.
Wilt gij dat ik lijde?'
Roosje, roosje, roosje rood,
roosje op de heide!
En het wilde knaapje brak
't roosje op de heide.
't Roosje weerde zich en stak,
maar de knaap rukt van de tak
't roosje op de heide.
Roosje, roosje, roosje rood,
roosje op de heide!
Tekst: naar Goethe.
Muziek: H. Werner.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Koeltjes suiz'len, doen rits'len het loover,
brengen de geuren der bloemen over.
Winden leenen hun diensten den menschen:
voeren den man naar 't land zijner wenschen,
drijven de schepen vlug voor zich henen,
draaien gedienstig de molensteenen.
Maar plots'ling breekt de stormwind los
en vliegt vernielende door het bosch
en rukt daar de takken van krachtige eiken,
vernielt grote schepen en beukt hoge dijken.
En altijd blijkt zijn vernielende aard,
zoo doet de storm in zijn teug'looze vaart.
En altijd blijkt zijn vernielende aard,
zoo doet de storm in zijn teug'looze vaart.
Bekend onder de titel: De wind.
Tekst en muziek: C.J.C. Geerlings.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Komt en laat ons dansen, springen
komt en laat ons vrolijk zijn.
Canon.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Komt hier albij en hoort een klucht,
het is van Pierlala,
een drollig ventje vol genucht,
de vreugd van zijn papa.
Wat in zijn leven is geschied
dat zult gij horen in dit lied:
't is al van Pierlala, ha, ha,
't is al van Pierlala.
Zo zeer was Pierlala bemind
van moertjen en vaartjen saam
dat zij hem zeiden: Hoor eens kind,
ons enig erfgenaam,
gij wordt haast meester van ons goed
daarom zie wel toe wat gij doet.
't Is wel, zei Pierlala, ha, ha,
't is wel, zei Pierlala.
Maar als nu was den vader dood,
ons armen Pierlala
die heeft zijn vrienden al genood
op 't uitvaart van papa.
Hij hield niet veel van lekkernij,
hij gaf ze t' eten pap en brij.
't Is bon, zei Pierlala, ha, ha,
't is bon, zei Pierlala.
Daavan werd Pierlala zo dul,
dat hij raakte op den loop
en met zijn makkers in de krul
liep zuipen stoop op stoop.
Als hij dan thuis kwam vol e zat,
hij gaf zijn wijf een schop in 't gat.
Bon daar, zei Pierlala, ha, ha,
bon daar, zei Pierlala.
Omdat hem dit stak in de kop,
heeft hij zeer veel verteerd.
Maar als zijn schijven waren op,
sprak hij: Ik ben geleerd.
Hoe dat van trouwen komt profijt,
ziedaar ik ben mijn schijven kwijt.
't Is op, zei Pierlala, ha, ha,
't is op, zei Pierlala.
En Pierlala die had weer geld,
zijn moeiken die was dood.
Hij deelde veel en was hersteld,
hij sprak: 'k Zit nog in nood.
Was ik maar van die soldaterij,
maar hoe zal ik dan raken vrij?
'k Weet raad, zei Pierlala, ha, ha,
'k weet raad, zei Pierlala.
Als hij die drank nu binnen had,
sprak hij: 'k Ben nog meer krank.
't Is aan mijn hert, ik weet niet wat,
en ik leef geen uren lang!
Hij maakte dan zijn testament,
aan al zijn vrienden wel bekend.
Ik sterf, zei Pierlala, ha, ha,
ik sterf, zei Pierlala.
Alsdan werd Pierlala gekist
met zijn twee billekens bloot.
Want niemand anders dacht of wist,
of Pierlala was dood.
Hij werd begraven met den trom,
de klokken luidden bim, bam, bom.
't Was fraai, zei Pierlala, ha, ha,
't was fraai, zei Pierlala.
Als hij nu was in 't graf geleid,
een half uur, zo ik meen,
de vrienden namen dan afscheid
en trokken er van heen.
Hij schopte 't deksel van de kist
en kroop eruit, 't geen niemand wist.
Ik leef, zei Pierlala, ha, ha,
ik leef, zei Pierlala.
17e-eeuws lied.
Bovenstaande tekst is niet compleet; het lied telt 25 strofen.
Pierlala jaagt zijn erfenis door te feesten mijn zijn vrienden
en te trouwen. Als zijn geld op is gaat hij noodgedwongen in
dienst. Om uit het leger te komen, zet hij zijn eigen dood in scene.
Er zijn vele tekstvarianten op dit lied.
Vrijwel altijd wordt hij begraven om vervolgens uit de kist te springen; vaak om commentaar te leveren op de laatste politieke ontwikkelingen.
Komt vrienden in den ronde,
minnaars van enen stiel.
Ik zal u gaan verkonden
hoe ik door 't slijperswiel
de kost verdien voor vrouw en kind
schoon blootgesteld aan sneeuw en wind.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
De smid die moet hard werken,
gestadig voor het vier.
Hij durft zich niet versterken
met ene kan goed bier.
Terwijl ik ga op mijn gemak,
soms ook wel met een lege zak.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
De kleerfrik maakt ons kleren
voor acht stuivers per dag.
Wil hij zijn loon vermeren
hij snijdt meer dan hij mag.
Maar ik op mijne slijpersteen,
ik win meer op een uur alleen.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
De maalder moet gaan malen
tot in het fijnste meel.
Hij moet dubbel betalen
voor zijnen droge keel.
Maar ik, door ijver en door vlijt,
ik win mijn brood in eerlijkheid.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
Mijn vrouw die roept victoria
over het slijpersstiel.
Zij vindt de grootste gloria
in 't draaien van mijn wiel.
Mijn kind'ren hebben geen ongemak,
zij lopen met de bedelzak.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
Tsa, vrienden, voor het leste:
all' ambachten zijn goed,
maar mijn is toch het beste,
schoon ik soms slapen moet
op hooi en strooi in ene stal,
ik heb de kost voor niemendal.
Terlierelom ter la,
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been,
ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju.
Kom nu met zang van zoete tonen
en u met snarenspel verblijd;
zing op en wilt alom betonen
dat gij van herten vrolijk zijt.
Juicht God ter eer, zijn lof vermeer,
die zulk 'n groten werk
gedaan heeft voor zijn kerk.
In Israël was dat een wijze;
valt met haar ook den Heer te voet.
Dat elk nu toch God roem' en prijze,
die ons zoveel weldaden doet.
Roep overal met groot geschal:
lof, prijs en dank alleen
zij God, en anders geen.
De Heer heeft eertijds zijnen volke
geholpen uit veel angst en pijn.
Hij geeft ja wel een duister wolke,
maar weer daarna schoon zonneschijn.
Lof zij die Heer, die ons ook weer
geeft, na veel smert en druk,
veel zege en geluk.
wijze: gebruik
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Kwezeltje wilde gij dansen?
Ik zal u geven een ei.
Welneen ik, zei dat kwezeltje,
van dansen ben ik vrij.
'k En kan niet dansen,
'k en mag niet dansen,
dansen is onze regel niet,
begijntjes en kwezeltjes dansen niet.
Kwezeltje, wilde gij dansen?
Ik zal u geven een koe.
Welneen ik, zei dat kwezeltje,
van dansen word ik te moe.
'k En kan niet dansen,
'k en mag niet dansen,
dansen is onze regel niet,
begijntjes en kwezeltjes dansen niet.
Kwezeltje, wilde gij dansen?
Ik zal u geven een peerd.
Welneen ik, zei dat kwezeltje
't en is mij 't dansen nie weerd.
'k En kan niet dansen,
'k en mag niet dansen,
dansen is onze regel niet,
begijntjes en kwezeltjes dansen niet.
Kwezeltje, wilde gij dansen?
Ik zal u geven een man.
Welja ik, zei dat kwezeltje,
'k zal dansen al wat ik kan.
Ik kan wel dansen,
ik mag wel dansen,
dansen is onze regel wel,
begijntjes en kwezeltjes dansen wel.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Coussemaker (1856)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).

Liedblaadje Pierlala, 19e eeuw.
- liedbladen en straatliederen -
|