In de Overtuin

De website waar muziek in zit !




Home

Volksliedjes A
Volksliedjes B
Volksliedjes C
Volksliedjes D
Volksliedjes E
Volksliedjes F
Volksliedjes G
Volksliedjes H
Volksliedjes I
Volksliedjes J
Volksliedjes K
Volksliedjes L
Volksliedjes M
Volksliedjes N
Volksliedjes O
Volksliedjes P
Volksliedjes R
Volksliedjes S
Volksliedjes T
Volksliedjes U
Volksliedjes V
Volksliedjes W  /  Wi
Volksliedjes IJ
Volksliedjes Z

Wilhelmus

Volkslied provincies

Zoek !

















Info

Inhoud website:
volksliedjes - nederlandse volksliedjes D - ruim 150 oude bekende traditionele volksliederen - complete teksten klassieke oude liedjes tekst en muziek nederlands volkslied nederland nederlands lied liedje nederlandstalig volksliedje nederlandstalige liederen

Trefwoorden: songtekst songteksten songtext liedtekst liedteksten ouderwets ouderwetse liedjes van vroeger liederen uit grootmoeders tijd nederlandse liedjes nederland holland hollandse liedjes liedboekjes zingen meezingen oud liedje uit het verleden jeugd vorige eeuw auteur componist volksmuziek liedblaadjes muziekgeschiedenis

Varianten: gespeeltjes boerin daar was een wuf dat spon er was een wijf dat spon houten spinnenwiel peperbus het daghet in het oosten het lichtet overal het daagt het daget in het oosten het licht overal hoe luttel weet mijn liefje toen hanselijn drie schuintamboers oosten dindindin din din din die kwam van Brugge met zijn knapzak op zijn rugge rug
Nederlandse volksliedjes
 ∼  D  ∼ 


               


Lidwoorden zijn overgeslagen bij alfabetisering.
Liedjes die beginnen met De, Den, Die, enz.:
zie beginletter tweede woord.



Daar klingelt een klokje met zilveren klank,
het noodigt zoo vriend'lijk tot rust en tot dank
en roept tot ons allen: de taak is volbracht,
goeden nacht, goeden nacht!

De zonne ging onder, verbleekt is haar glans,
de maan leidt de reien der starren ten dans
en dart'lend belonken ze in 't water hun pracht,
goeden nacht, goeden nacht!

Een zuchtje suist fluist'rend in 't ruischende riet,
de kever zoemt gonzend om 't bloembed een lied,
de nachtegaal slaakt aan den woudzoom zijn klacht,
goeden nacht, goeden nacht.

Schijnt, vriend'lijke sterren, en tintelt naar lust,
slaapt, vogels en bloemen, ook wij gaan ter rust,
nacht, armen en droeven en kranken, rust zacht,
goeden nacht, goeden nacht.


Tekst: G.W. Lovendaal.
Muziek: H.C. van Oort.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Daar kwam ene boer van Zwitserland
kadee, kadulleke kada
en die had een ezel aan zijn hand
laberdi, laberda, laberdonia
en die had een ezel aan zijn hand,
Cecilia!

Waarop dat lei een witte doek
kadee, kadulleke kada
hij sprak: wat zal ik daarmee doen?
laberdi, laberda, laberdonia
hij sprak: wat zal ik daarmee doen?
Cecilia!

Snijerke, sprak hij, snijerke fijn
kadee, kadulleke kada
wilt gij mij maken een kedelijn?
laberdi, laberda, laberdonia
wilt gij mij maken een kedelijn?
Cecilia!

En toen die kedelijn was gedaan
kadee, kadulleke kada
toen ging hij voor zijn vrouwke staan
laberdi, laberda, laberdonia
toen ging hij voor zijn vrouwke staan,
Cecilia!

Vrouwke, sprak hij, vrouwke fijn
kadee, kadulleke kada
zeg mij hoe staat die kedelijn?
laberdi, laberda, laberdonia
zeg mij hoe staat die kedelijn?
Cecilia!

Die kedelijn staat jou niks goê
kadee, kadulleke kada
ge hebt een lijf gelijk een koe!
laberdi, laberda, laberdonia
ge hebt een lijf gelijk een koe!
Cecilia!

Snijerken, sprak hij, snijerken fijn
kadee, kadulleke kada
ge hebt bedorven mijn kedelijn
laberdi, laberda, laberdonia
ge hebt bedorven mijn kedelijn,
Cecilia!

Heb ik er bedorven uw kedelijn
kadee, kadulleke kada
ik heb gesnejen in de maneschijn
laberdi, laberda, laberdonia
ik heb gesnejen in de maneschijn,
Cecilia!

Hebt gij het gesnejen in de maneschijn
kadee, kadulleke kada
ik zal het betalen in de zonneschijn
laberdi, laberda, laberdonia
ik zal het betalen in de zonneschijn,
Cecilia!

Die boer die pakt zijn stok algauw
kadee, kadulleke kada
en waar hij sloeg kwam niet zo nauw
laberdi, laberda, laberdonia
en waar hij sloeg kwam niet zo nauw,
Cecilia!

Maar ook die snijer die hield zich kloek
kadee, kadulleke kada
hij stak de boer met zijn naald in zijn broek
laberdi, laberda, laberdonia
hij stak de boer met zijn naald in zijn broek,
Cecilia!

Ze zetten den snijer op een witte geit
kadee, kadulleke kada
en ze reden er mee naar de eeuwigheid
laberdi, laberda, laberdonia
en ze reden er mee naar de eeuwigheid,
Cecilia!







Daar gingen twee gespeelkens goed
zo ver aan geen groen heide.
Die een die voerd' enen hupsen moed,
die ander weende zere.

Gespele, wel lieve gespeelken goed
waarom weende gij zo zere?
Mer weent gij om uws vaders goed,
of weent gij om uw ere?

Ik en ween niet om mijns vaders goed,
ik en ween niet om mijn ere.
Wij twee, wij hebben enen landsknecht lief,
rijk God, wie zal hem werden?

Gespele, wel lieve gespele goed,
laat mij den landsknecht allene.
Ik zal u mijnen broeder geven
mijns vaders goed een dele.

Och, dijnen broeder en wil ik niet,
noch dijns vaders goed een dele,
ik hebbe veel liever mijn zoetelief
dan zilver oft rood gulden.

En neme ik dan die rijke
zo treurt die zuiverlijke,
die rijke wil ik laten varen
ende nemen die zuiverlijke.

Een luttel goeds is haast verteerd,
dan heeft die liefde een einde,
dan zijn wij twee nog jonk ende sterk,
meer goeds mag ons gewerden.

Hij nam dat maagdeken bij der hand,
bij haar sneeuwwitte handen,
hij voerde ze door dat groene woud,
dat groene woud ten einde.


Middeleeuws lied.

gespeelkens: vriendinnen / geen: gindse / huupsen moed:
opgewekte stemming / wie zal hem werden?: wie van ons twee
zal hem krijgen? / Strofe 6-8: uit perspectief v.d. landsknecht.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Daar loopt door 't gehucht een wonder gerucht,
het is van een jonge boerinne.
Ze dorste haar graan, liet het spinnewiel gaan,
en reed zij op Grauw, d' ezelinne,
dan lachte de tortel haar na: ha ha ha!
Dan lachte de tortel haar na: ha ha ha!
Dan lachte de tortel haar na.

Eens, wordt er verteld, eens was zij in 't veld,
een koets houdt er stille in de weide.
Twee mannen in 't goud heffen eensklaps haar stout
de koets in, hoe luid zij ook schreide.
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha!
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha!
Nu schreide de tortel haar na.

Ze was geen boerin, maar wel een vorstin!
Het staat in een boekje te lezen.
Als kind eens verdwaald werd ze huiswaarts gehaald
toen de afkomst heel klaar was bewezen.
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha!
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha!
Wat miste de tortel haar dra.

Nu heeft z' een kasteel en schatten zoveel,
maar ze is nog 't gehucht niet vergeten.
En als zij er komt en de klaagtoon verstomt,
't is nog of de tortels het weten.
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha!
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha!
Ze kirren en lachen haar na.


Tekst: W.J. van Zeggelen.
Muziek: R. Hol.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Daar staat een klooster in Oostenrijk,
het is zo wel gesiered
met zilver ende rode goud, ende rode goud,
met grauwen steen doormoered.

Daarin zo woont een jonkvrouw fijn,
die mij zo wel bevallet.
Rijk God, mocht ik haar dienaar zijn, haar dienaar zijn,
ik zoude ze met mij voeren!

Ik voerde ze in mijns vaders hof,
daar staat een groene linde,
daarop zo zinget die nachtegaal, die nachtegaal,
zij zinget zo wel van minnen.

Och nachtegale, klein vogelken,
wildij uw tonge bedwingen,
ik zal der al uw vederlijn, uw vederlijn,
met gouddraad doen bewinden.

Wat vraag ik na uw rode goud
oft na uw lozer minnen?
Ik ben een klein wild vogelken stout, wild vogelken stout,
geen man en kan mij bedwingen!

Zijdij een klein wild vogelken stout,
kan u geen man bedwingen?
Zo dwinget u die hagel, die koude sneeuw, die koude sneeuw,
die lovers van der linde.

Dwinget mij de hagel, de koude sneeuw,
die lovers van der linde?
Als dan schijnt die zonne schoon, die zonne schoon,
zo zal ik weer vreugd beginnen.

Doen hij zijn sporen had aangedaan,
hij reed ten oostenwaart inne;
hij zag zo menigen landsknecht staan, landsknecht staan,
in haar blank harnas blinken.

Hij is een weinig voortgereden
al over die groene strate:
zo wie zijn boel niet hebben en mag, niet hebben en mag,
die moet ze varen laten.

Den ruiter sprak met moede vrij,
doe hij zijn boel moest laten:
Ik wil blijven den landsknecht bij, den landsknecht bij.
Rijk God, komt mij te baten.

Die ons dit liedeken eerstwerf zank,
hij hevet wel gezongen,
met pijpen ende tromlengeklank, ende tromlengeklank,
in spijt des nijders tongen.


Middeleeuws lied.

boel: geliefde

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Daar was een sneeuwwit vogeltje
daar was een sneeuwwit vogeltje
al op een steken doornetje,
din don deine,
al op een steken doornetje,
din don don.

Och nachtegaal, klein vogelkijn,
och nachtegaal, klein vogelkijn,
woudi daar mijnen bode zijn,
din don deine,
woudi daar mijnen bode zijn?
din don don.

Hou zoud' ik uwen bode zijn?
Hou zoud' ik uwen bode zijn?
Ik ben zo kleinen vogelkijn,
din don deine,
ik ben zo kleinen vogelkijn,
din don don.

Al zijdi klein, gij vlieget zo snel,
al zijdi klein, gij vlieget zo snel,
gij voert daar mijne boodschap wel,
din don deine,
gij voert daar mijne boodschap wel,
din don don.

Hij nam dat briefken in zijnen mond,
hij nam dat briefken in zijnen mond,
hij voeret al over dat groene woud,
din don deine,
hij voeret al over dat groene woud,
din don don.

Hij gaf dat vensterken enen stoot,
hij gaf dat vensterken enen stoot,
Slaapt gij, mijn lief, of zijt gij dood?
din don deine,
Slaapt gij, mijn lief, of zijt gij dood?
din don don.

Ik slape alzo vaste niet,
ik slape alzo vaste niet,
ik hoor al wat mijn lief ontbiedt,
din don deine,
ik hoor al wat min lief ontbiedt,
din don don.

Uw lief ontbiedt u goeden prijs,
uw lief ontbiedt u goeden prijs
hij wil gaan trouwen een ander wijf,
din don deine,
hij wil gaan trouwen een ander wijf,
din don don.

Wil hij gaan trouwen een ander wijf?
zo wil ik gaan trouwen een ander man,
din don deine,
bezien wie 't eerst berouwen zal,
din don don.

Nu bid ik god end' Onze Lieve Vrouw,
nu bid ik god end' Onze Lieve Vrouw,
dat het mijn liefken eerst berouw,
din don deine,
dat het mijn liefken eerst berouw,
din don don.


Middeleeuws lied.

ontbiedt: bericht / goede prijs: grote eer (spottend)

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Hs. Weimar (1537)
Willems (1848)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Daar was een wuf die spon,
daar was een wuf die spon,
al op een houten spinnewiel,
daar was geen toorteltjen aan.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Haar mutse stoeg verdraaid,
haar mutse stoeg verdraaid,
gelijk een Hollands moleken
die met alle windeke draait.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Dat wuf had enen zin,
dat wuf had enen zin,
als zij 's nuchtends buiten kroop,
's avonds kroop zij in.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Dat wuf had enen man,
dat wuf had enen man,
's zondags heet hij Pieter
en 's maandags heet hij Jan.


toorteltjen: spil / stoeg: stond

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Coussemaker (1856)
Pollmann en Tiggers (zie: Bronnen).







Daar was laatst een meisje loos,
die wou gaan varen, die wou gaan varen,
daar was laatst een meisje loos,
die wou gaan varen als lichtmatroos.

Zij nam dienst voor zeven jaar,
omdat zij vreesde, omdat zij vreesde,
zij nam dienst voor zeven jaar,
omdat zij vreesde geen gevaar.

Zij moest klimmen in de mast,
maken de zeilen, maken de zeilen,
zij moest klimmen in de mast,
maken de zeilen en touwetjes vast.

Doch door het stormen van het weer
vielen de zeilen, vielen de zeilen,
doch door het stormen van het weer,
vielen de zeilen van boven neer.

Nu werd zij gebonden voor de mast,
met haar handen, met haar handen,
nu werd zij gebonden voor de mast,
met haar handen en voeten vast.

Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet!
Ik ben uw liefje, ik ben uw liefje.
Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet!
Ik ben uw liefje, gelijk gij ziet.

Maar eer het scheepje was aan wal,
wa er het jonge, was er het jonge,
maar eer het scheepje was aan wal,
was er het jonge matroosje al.


18e-eeuws lied.






Daar zou een meisje gaan halen wijn,
het was 's avond al zo late.
Zij kwam al voor een hazelaarsboom
en daar bleef zij wat tegen staan praten.

Wel hazelaars, zo zei zij, hazelaarsboom,
en vanwaar bent gij zo groene?
Mooi meisje, zo zei hij, meisje fijn,
en vanwaar bent gij zo schone?

Waardat ik, hazelaar, zo schoone van ben,
en dat zal ik jou, hazelaar, zeggen:
ik eet er gebraad en ik drink er de wijn
en ik slaap er op een zacht bedde.

Eet gij er gebraad en drinkt gij de wijn
en slaapt gij op een zacht bedde koene?
De koele dauw is er gevallen op mijn
En daarvan ben ik, hazelaar, groene.

Is er de koele dauw gevallen op jou,
en bent gij daarvan zo groene?
Maar 's winters als 't hagelt en koud valt de sneeuw,
dan ben gij weer, hazelaar, dorre.

's Winters het hagelt en koud valt de sneeuw,
en te mei dan bloei ik weder.
Mooi meisje, als gij er uw eertje verliest,
gij en krijgt ze van jouw leven niet weder.

Nu ik dank jou zeer, wel hazelaarsboom,
voor al jouw zoete praten:
ik meende na mijn slaapboeltje te gaan,
en nou zal ik dat, hazelaar, laten.


slaapboeltje: minnaar

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Vr. Speelpop (1730)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Het daghet in den Oosten
het lichtet overal.
Hoe luttel weet mijn liefken,
och waer ick henen sal.

Och warent al mijn vrienden
dat mijn vijanden zijn,
ick voerde u uuten lande,
mijn lief, mijn minnekijn.

Dats waer soudi mi voeren,
stout ridder wel gemeyt?
Ic ligge in mijns liefs armkens
met grooter waerdicheyt.

Ligdy in uus liefs armen?
Bilo, ghi en segt niet waer!
Gaet henen ter linde groene,
versleghen so leyt hi daer.

Tmeysken nam haren mantel
ende si ghinc eenen ghanck
al totter linde groene
daer si den dooden vant.

Och, ligdy hier verslaghen,
versmoort in al u bloet?
Dat heeft gedaen u roemen
ende uwen hooghen moet.

Och, ligdy hier verslaghen,
die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten?
So menighen droeven dach.

Tmeysken nam haren mantel
ende si ghinck eenen ganck
al voor haers vaders poorte,
die si ontsloten vant.

Och, is hier eenich heere,
oft eenich edel man,
die mi mijnen dooden
begraven helpen can?

Die heeren sweghen stille,
si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme,
si ghinc al weenende uut.

Si nam hem in haren armen,
si custe hem voor den mont
in eender corten wijlen
tot also menigher stont.

Met sinen blancken swaerde
dat si die aerde op groef,
met haer snee witten armen
ten grave dat si hem droech.

Nu wil ic mi gaen begeven
in een cleyn cloosterkijn
ende draghen swarte wijlen
ende worden een nonnekijn.

Met haer claer stemme,
die misse dat sie sanck,
met haer snee witten handen
dat si dat belleken clankc.


Middeleeuws lied.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve Gerritje,
dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve meid.

Zeg, wat zal je drinken,
zoete lieve Gerritje,
zeg wat zal je drinken,
zoete lieve meid?

Brandewijn met suiker,
zoete lieve Gerritje,
brandewijn met suiker,
zoete lieve meid.

Wie zal dat betalen,
zoete lieve Gerritje,
wie zal dat betalen
zoete lieve meid?

De eerste boer de beste,
zoete lieve Gerritje,
de eerste boer de beste,
zoete lieve meid.

Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve Gerritje,
dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve meid.








Din-din-din dy kwam fan Brugge
met syn knapzak op syn rugg
met syn stok al in syn han
so ging Din-din-din deur 't land.


Canon.

Muziek: P. Folkertsma.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Doen Hanselijn over der heide reed,
hoe haastig werd hij gevangen!
Hij wierde al op een toren gezleid,
geboeied wel alzo strange, alzo strange.

En dat verhoorde een meisje jong,
een meisje van zeventien jaren;
zij ging al voor haar moedertje staan,
hei, daarna al voor haar vader, voor haar vader.

Och vadertje, zeide zij, vader van mijn,
mijn aldergenadigste here,
woudt gij mij deze gevangen man geven,
de vrome landsknechtjes ter eren, ja ter eren?

De gevangen man en krijgt gij niet,
want hij zal moeten sterven,
hij is er van zeven landsheren verwezen
alzo veer in vreemde erven, vreemde erven.

Het meisje liet bakken twee witte brood
daarin twee scherpe vijlen,
zij wierp ze al in den toren, was hoog,
hei landsknechtje, wilt jou losvijlen, ja losvijlen.

Hij vijlden zo menigen nacht en dag,
zo menigen stouten uren,
totdat er de toren ontsloten was,
hei, men zag er nooit landsknecht treuren, landsknecht treuren.

Zij trok hem daar wee laarzen an,
daartoe twee scherpe sporen,
zij zetten hem op haar vaders grauw ros,
Landsknecht geef de moed niet verloren, niet verloren!

Doen hij ter halverwegen kwam,
hij keek zo dikmaal omme,
hij docht er wel om den toren, was hoog,
maar nog meer om 't meisken, was jonge, ja was jonge.

Nu heb ik al die jonkvrouwen lief,
al omme de wille van ene,
zij heeft er behouden het leven van mijn,
ach mocht ik haar dienaar wezen, ja wezen.


doen: toen / verwezen: verbannen

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Haarlems oud liedboek (1640)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Drie ganzen in 't haverstro zitten daar en snaat'ren zo.
Komt de boer geslopen, port eens in de hopen
hij roept: Hallo, hallo, hallo!
Drie hele dikke vette ganzen in het haverstro.


Canon.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Drie Schuintamboers, die kwamen uit het Oosten,
drie Schuintamboers, die kwamen uit het Oosten
van je rom bom wat maal ik er om,
die kwamen uit het Oosten rom bom.

Een van de drie, zag daar een aardig meisje,
een van de drie, zag daar een aardig meisje
van je rom bom wat maal ik erom,
zag daar een aardig meisje rom bom.

Zeg meisjelief, wil jij met mij verkeren?
zeg meisjelief, wil jij met mij verkeren?
van je rom bom wat maal ik erom,
wil jij met mij verkeren rom bom.

Nou jongeman, dat moet je mijn vader vragen,
nou jongeman, dat moet je mijn vader vragen
van je rom bom wat maal ik erom,
dat moet je mijn vader vragen rom bom.

Zeg ouweheer, mag ik je dochter trouwen?
zeg ouweheer, mag ik je dochter trouwen?
van je rom bom wat maal ik erom
mag ik je dochter trouwen rom bom.

Nou jongeman, zeg mij wat is je rijkdom,
nou jongeman, zeg mij wat is je rijkdom
van je rom bom wat maal ik erom,
zeg mij wat is je rijkdom rom bom.

Mijn rijkdom is, daar wil ik niet om jokken,
mijn rijkdom is, een trommel met twee stokken
van je rom bom wat maal ik erom,
een trommel met twee stokken rom bom.

Nou jongeman, dan kun je haar niet krijgen,
nou jongeman, dan kun je haar niet krijgen
van je rom bom wat maal ik erom,
dan kun je haar niet krijgen rom bom.

Zeg ouweheer, ik ben nog wat vergeten,
zeg ouweheer, ik ben nog wat vergeten
van je rom bom wat maal ik erom,
ik ben nog wat vergeten rom bom.

Mijn vader is Groot Hertog van Castille,
mijn vader is Groot Hertog van Castille
van je rom bom wat maal ik erom,
Groot Hertog van Castille rom bom.

Dan jongeman, mag jij mijn dochter trouwen,
dan jongeman, mag jij mijn dochter trouwen
van je rom bom wat maal ik erom,
jij mag mijn dochter trouwen rom bom.

Nee ouweheer, je mag je dochter houwen,
nee ouweheer, je mag je dochter houwen
van je rom bom wat maal ik erom,
je mag je dochter houwen rom bom.








Dubbele Jan die zie je niet meer op de kermis staan
hij is er met zijn wagentje vandoor gegaan.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Boven daarop daar stond een ouwe tingeldoos
die schoner speulde dan de meeste radio's.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Voor zijn wagen liep er een ouwe merrie mee
die gisteren nog de mallemolen draaien dee.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Zoek die Jan vanavond in de maneschijn
want zonder Dubbele Jan kan er geen kermis zijn.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?


Tekst: Floris van der Putt.
Muziek: Harrie Beex.

Klik hier voor bladmuziek en mp3 van Dubbele Jan.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Den Brembosch (1950)
Zing (1977) (zie: Bronnen).









19e-eeuws liedblaadje
- liedbladen en straatliederen -




               






Home     Bronnen     Zoek     Kinderliedjes     Links     Gastenboek     Colofon