volksliedjes.nl







In de Overtuin

De website waar muziek in zit !




Home

Volksliedjes A
Volksliedjes B
Volksliedjes C
Volksliedjes D
Volksliedjes E
Volksliedjes F
Volksliedjes G
Volksliedjes H
Volksliedjes I
Volksliedjes J
Volksliedjes K
Volksliedjes L
Volksliedjes M
Volksliedjes N
Volksliedjes O
Volksliedjes P
Volksliedjes R
Volksliedjes S
Volksliedjes T
Volksliedjes U
Volksliedjes V
Volksliedjes W  /  Wi
Volksliedjes IJ
Volksliedjes Z

Wilhelmus

Volkslied provincies

Zoek op alfabet / thema

















Info

Inhoud website:
volksliedjes - nederlandse volksliedjes D - ruim 150 oude bekende traditionele volksliederen - tekst en muziek - midi bladmuziek - complete teksten klassieke oude liedjes tekst en muziek nederlands volkslied nederland nederlands lied liedje nederlandstalig volksliedje nederlandstalige liederen

nederlandse volksliedjes nederlands volksliedjes bladmuziek volksliedjes.nl volksliedjes midi volksliedjes teksten

Trefwoorden: songtekst songteksten songtext liedtekst liedteksten ouderwets ouderwetse liedjes van vroeger liederen uit grootmoeders tijd nederlandse liedjes nederland holland hollandse liedjes liedboekjes zingen meezingen luisteren beluisteren oud liedje uit het verleden jeugd vorige eeuw auteur componist volksmuziek liedblaadjes muziekgeschiedenis

met muziek melodie mp3 midi bladmuziek muzieknotatie met noten muzieknoten notenschrift wijs wijsje pianomuziek piano

Varianten: gespeeltjes boerin daar was een wuf dat spon er was een wijf dat spon houten spinnenwiel peperbus het daghet in het oosten het lichtet overal het daagt het daget in het oosten het licht overal hoe luttel weet mijn liefje toen hanselijn drie schuintamboers oosten dindindin din din din die kwam van Brugge met zijn knapzak op zijn rugge rug
Nederlandse volksliedjes
 ∼  D  ∼ 


   


Lidwoorden zijn overgeslagen bij alfabetisering.
Liedjes die beginnen met De, Den, Die, enz.:
zie beginletter tweede woord.



Daar klingelt een klokje met zilveren klank,
het noodigt zoo vriend'lijk tot rust en tot dank
en roept tot ons allen: de taak is volbracht,
goeden nacht, goeden nacht!

De zonne ging onder, verbleekt is haar glans,
de maan leidt de reien der starren ten dans
en dart'lend belonken ze in 't water hun pracht,
goeden nacht, goeden nacht!

Een zuchtje suist fluist'rend in 't ruischende riet,
de kever zoemt gonzend om 't bloembed een lied,
de nachtegaal slaakt aan den woudzoom zijn klacht,
goeden nacht, goeden nacht.

Schijnt, vriend'lijke sterren, en tintelt naar lust,
slaapt, vogels en bloemen, ook wij gaan ter rust,
nacht, armen en droeven en kranken, rust zacht,
goeden nacht, goeden nacht.


bladmuziek     vergroting

Tekst: G.W. Lovendaal.
Muziek: H.C. van Oort.

Muziek laatste couplet wijkt af.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Veldkamp en De Boer, Kun je nog zingen (1938, 1972)
(zie: Bronnen).







Daar kwam enen boer van Zwitserland
kadee kadolleke keda
en die had enen ezel aan zijn hand
laberdi laberda laberdonia
en die had enen ezel aan zijn hand
Cecilia!

Waarop dat lei ene witte doek
kadee kadolleke keda
hij sprak: wat zal ik daarmee doen?
laberdi laberda laberdonia
hij sprak: wat zal ik daarmee doen?
Cecilia!

Snijerken, sprak hij, snijerken fijn
kadee kadolleke keda
wilt gij mij maken een kedelijn?
laberdi laberda laberdonia
wilt gij mij maken een kedelijn?
Cecilia!

En toen die kedelijn was gedaan
kadee kadolleke keda
toen ging hij voor zijn vrouwke staan
laberdi laberda laberdonia
toen ging hij voor zijn vrouwke staan
Cecilia!

Vrouwke, sprak hij, vrouwke fijn
kadee kadolleke keda
zeg mij: hoe staat die kedelijn?
laberdi laberda laberdonia
zeg mij hoe staat die kedelijn?
Cecilia!

Die kedelijn staat jou niks goê
kadee kadolleke keda
ge hebt een lijf gelijk een koe!
laberdi laberda laberdonia
ge hebt een lijf gelijk een koe!
Cecilia!

Heb ik een lijf gelijk een koe?
kadee kadolleke keda
dan ga ik weer naar de snijer toe!
laberdi laberda laberdonia
dan ga ik weer naar de snijer toe!
Cecilia!

Snijerken, sprak hij, snijerken fijn
kadee kadolleke keda
ge hebt er bedorven mijn kedelijn
laberdi laberda laberdonia
ge hebt er bedorven mijn kedelijn
Cecilia!

Heb ik er bedorven uw kedelijn?
kadee kadolleke keda
ik heb het gesnejen in de maneschijn
laberdi laberda laberdonia
ik heb het gesnejen in de maneschijn
Cecilia!

Hebt gij het gesnejen in de maneschijn?
kadee kadolleke keda
ik zal het betalen in de zonneschijn!
laberdi laberda laberdonia
ik zal het betalen in de zonneschijn!
Cecilia!

Die boer die pakt zijn stok al gauw
kadee kadolleke keda
en waar hij sloeg kwam niet zo nauw
laberdi laberda laberdonia
en waar hij sloeg kwam niet zo nauw
Cecilia!

Maar ook die snijer die hield zich kloek
kadee kadolleke keda
hij stak de boer met zijn naald in zijn broek
laberdi laberda laberdonia
hij stak de boer met zijn naald in zijn broek
Cecilia!

Ze zetten de snijer op een witte geit
kadee kadolleke keda
en reden ermee naar de eeuwigheid
laberdi laberda laberdonia
en reden ermee naar de eeuwigheid
Cecilia!


bladmuziek     vergroting

Dit lied is o.m. opgenomen in:
P. Tiggers, Bonte vlucht (1938)
J. Kunst, Het levende lied van Nederland (1938)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941)
(zie: Bronnen).







Daar gingen twee gespeelkens goed
zo verre aan geen groen heide.
Die een die voerde enen hupsen moed,
die ander weende zere.

Gespele, wel lieve gespeelken goed
waarom weende gij zo zere?
Mer weent gij om uws vaders goed,
of weent gij om uw ere?

Ik en ween niet om mijns vaders goed,
ik en ween niet om mijn ere.
Wij twee, wij hebben enen landsknecht lief,
rijk God, wie zal hem werden?

Gespele, wel lieve gespele goed,
laat mij den landsknecht allene.
Ik zal u mijnen broeder geven
mijns vaders goed een dele.

Och, dijnen broeder en wil ik niet,
noch dijns vaders goed een dele,
ik hebbe veel liever mijn zoetelief
dan zilver oft rood gulden.

Die landsknecht al onder der linde stond
hij hoorde de rede een einde.
Och rijke God van 's hemels troon
tot wie zal ik mij wenden?

En neme ik dan die rijke
zo treurt die zuiverlijke,
die rijke wil ik laten varen
ende nemen die zuiverlijke.

Een luttel goeds is haast verteerd,
dan heeft die liefde een einde,
dan zijn wij twee nog jonk ende sterk,
meer goeds mag ons gewerden.

Hij nam dat maagdeken bij der hand,
bij haar sneeuwwitte handen,
hij voerde ze door dat groene woud,
dat groene woud ten einde.


bladmuziek     vergroting

Middeleeuws lied.

gespeelkens: vriendinnen / geen: gindse / huupsen moed:
opgewekte stemming / wie zal hem werden?: wie van ons twee
zal hem krijgen?

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen (1848)
F.R. Coers, Liederboek van Groot-Nederland (1898)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Daar loopt door 't gehucht een wonder gerucht,
het is van een jonge boerinne.
Ze dorste haar graan, liet het spinnewiel gaan,
en reed zij op Grauw, d' ezelinne,
dan lachte de tortel haar na: ha ha ha ha ha!
Dan lachte de tortel haar na: ha ha ha ha ha!
Dan lachte de tortel haar na: ha ha, ha ha, ha ha, ha ha.

Eens, wordt er verteld, eens was zij in 't veld,
een koets houdt er stille in de weide.
Twee mannen in 't goud heffen eensklaps haar stout
de koets in, hoe luid zij ook schreide.
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha!
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha!
Nu schreide de tortel haar na: ha ha, ha ha, ha ha, ha ha.

Ze was geen boerin, maar wel een vorstin!
Het staat in een boekje te lezen.
Als kind eens verdwaald werd ze huiswaarts gehaald
toen de afkomst heel klaar was bewezen.
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha!
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha!
Wat miste de tortel haar dra: ha ha, ha ha, ha ha, ha ha.

Nu heeft z' een kasteel en schatten zoveel,
maar ze is nog 't gehucht niet vergeten.
En als zij er komt en de klaagtoon verstomt,
't is nog of de tortels het weten.
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha!
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha!
Ze kirren en lachen haar na: ha ha, ha ha, ha ha, ha ha.


Tekst: W.J. van Zeggelen.
Muziek: W.H. de Groot Wz.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Veldkamp en De Boer, Kun je nog zingen (1938, 1972)
(zie: Bronnen).







Daar staat een klooster in Oostenrijk,
het is zo wel gesiered
met zilver ende rode goud, ende rode goud,
met grauwen steen doormoered.

Daarin zo woont een jonkvrouw fijn,
die mij zo wel bevallet.
Rijk God, mocht ik haar dienaar zijn, haar dienaar zijn,
ik zoude ze met mij voeren!

Ik voerde ze in mijns vaders hof,
daar staat een groene linde,
daarop zo zinget die nachtegaal, die nachtegaal,
zij zinget zo wel van minnen.

Och nachtegale, klein vogelken,
wildij uw tonge bedwingen,
ik zal der al uw vederlijn, uw vederlijn,
met gouddraad doen bewinden.

Wat vraag ik na uw rode goud
oft na uw lozer minnen?
Ik ben een klein wild vogelken stout, wild vogelken stout,
geen man en kan mij bedwingen!

Zijdij een klein wild vogelken stout,
kan u geen man bedwingen?
Zo dwinget u die hagel, die koude sneeuw, die koude sneeuw,
die lovers van der linde.

Dwinget mij de hagel, de koude sneeuw,
die lovers van der linde?
Als dan schijnt die zonne schoon, die zonne schoon,
zo zal ik weer vreugd beginnen.

Doen hij zijn sporen had aangedaan,
hij reed ten oostenwaart inne;
hij zag zo menigen landsknecht staan, landsknecht staan,
in haar blank harnas blinken.

Hij is een weinig voortgereden
al over die groene strate:
zo wie zijn boel niet hebben en mag, niet hebben en mag,
die moet ze varen laten.

Den ruiter sprak met moede vrij,
doe hij zijn boel moest laten:
Ik wil blijven den landsknecht bij, den landsknecht bij.
Rijk God, komt mij te baten.

Die ons dit liedeken eerstwerf zank,
hij hevet wel gezongen,
met pijpen ende tromlengeklank, ende tromlengeklank,
in spijt des nijders tongen.


bladmuziek     vergroting

Middeleeuws lied.

boel: geliefde

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen (1848)
F. van Duyse, Het oude Nederlandsche lied (1903)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Daar was een sneeuwwit vogeltje,
daar was een sneeuwwit vogeltje
al op een stekendorentje
din don deine,
al op een stekendorentje
din don don.

Och nachtegaal, klein vogelkijn,
och nachtegaal, klein vogelkijn
woudi daar mijnen bode zijn?
din don deine,
woudi daar mijnen bode zijn?
din don don.

Hoe zoud' ik uwen bode zijn?
Hoe zoud' ik uwen bode zijn?
Ik ben zo kleinen vogelkijn
din don deine,
ik ben zo kleinen vogelkijn
din don don.

Al zijdi klein, gij vlieget zo snel,
al zijdi klein, gij vlieget zo snel
gij voert daar mijne boodschap wel
din don deine,
gij voert daar mijne boodschap wel
din don don.

Hij nam dat briefken in zijnen mond,
hij nam dat briefken in zijnen mond
hij voeret al over dat groene woud
din don deine,
hij voeret al over dat groene woud
din don don.

Hij gaf dat vensterken enen stoot,
hij gaf dat vensterken enen stoot.
Slaapt gij, mijn lief, of zijt gij dood?
din don deine,
Slaapt gij, mijn lief, of zijt gij dood?
din don don.

Ik slape alzo vaste niet,
ik slape alzo vaste niet
ik hoor al wat mijn lief ontbiedt
din don deine,
ik hoor al wat min lief ontbiedt
din don don.

Uw lief ontbiedt u goeden prijs,
uw lief ontbiedt u goeden prijs
hij wil gaan trouwen een ander wijf
din don deine,
hij wil gaan trouwen een ander wijf
din don don.

Wil hij gaan trouwen een ander wijf?
Wil hij gaan trouwen een ander wijf?
Zo wil ik gaan trouwen een ander man
din don deine,
bezien wie 't eerst berouwen zal
din don don.

Nu bid ik God end' Onze Lieve Vrouw,
nu bid ik God end' Onze Lieve Vrouw
dat het mijn liefken eerst berouw
din don deine,
dat het mijn liefken eerst berouw
din don don.


bladmuziek     vergroting

Middeleeuws lied.

ontbiedt: bericht / goede prijs: grote eer (spottend)

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Handschrift Weimar (1537)
J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen (1848)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Daar was een wuf die spon,
daar was een wuf die spon,
al op een houten spinnewiel,
daar was geen toorteltjen aan.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Haar mutse stoeg verdraaid,
haar mutse stoeg verdraaid,
gelijk een Hollands moleken
die met alle windeke draait.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Dat wuf had enen zin,
dat wuf had enen zin,
als zij 's nuchtends buiten kroop,
's avonds kroop zij in.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.

Dat wuf had enen man,
dat wuf had enen man,
's zondags heet hij Pieter
en 's maandags heet hij Jan.

Vive la peperbusse, vive la spa,
tralalala,
gize gaze goeze, ron flon floeze,
traderadera.


bladmuziek     vergroting

toorteltjen: spil / stoeg: stond

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Coussemaker (1856)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Daar was laatst een meisje loos
die wou gaan varen, die wou gaan varen
daar was laatst een meisje loos
die wou gaan varen voor matroos.

Zij nam dienst voor zeven jaar
omdat zij vreesde, omdat zij vreesde
zij nam dienst voor zeven jaar
omdat zij vreesde geen gevaar.

Toen bracht zij haar goed aan boord
al naar behoren, al naar behoren
toen bracht zij haar goed aan boord
gelijk er een brave matroos behoort.

Zij moest klimmen in de mast
maken de zeilen, maken de zeilen
zij moest klimmen in de mast
maken de zeilen en touwtjes vast.

Doch door het stormen van het weer
sloegen de zeilen, sloegen de zeilen
doch door het stormen van het weer
sloegen de zeilen van boven neer.

Nu werd zij gebonden voor de mast
met haar handen, met haar handen
nu werd zij gebonden voor de mast
met haar handen en voeten vast.

Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet!
Ik ben uw liefje, ik ben uw liefje.
Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet!
Ik ben uw liefje, gelijk gij ziet.

Maar eer het scheepje was aan wal
was er het jonge, was er het jonge
maar eer het scheepje was aan wal
was er het jonge matroosje al.

Toen zij nu weer kwam in de stad
waar zij nog eene, waar zij nog eene
toen zij nu weer kwam in de stad
waar zij nog eene moeder had

Riep zij: moeder, wordt niet boos
ik heb gevaren, ik heb gevaren
riep zij: moeder, wordt niet boos
ik heb gevaren voor jong matroos.

Bij één die mij oprecht bemint
heb ik dit kleine, heb ik dit kleine
bij één die mij oprecht bemint
heb ik dit klein onnoozel kind.

Maar eer het weder Pinkster is
word ik zijn vrouwtje, word ik zijn vrouwtje
maar eer het weder Pinkster is
word ik zijn vrouwtje, dat is gewis.


bladmuziek     vergroting

18e-eeuws lied.

Variant tekst en melodie bij kinderliedjes.

een loos meisje: een ondeugend, listig meisje /
gelijk gij ziet: zangers op marktpleinen lieten soms afbeeldingen
bij een lied zien op een zogeheten 'roldoek'.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
De Geldersche nachtegaal (1870)
M.A. Brandts Buys, Gezelschapsliederen (ca. 1875)
F. van Duyse, Het oude Nederlandsche lied (1903)
(zie: Bronnen).







Daar zou een meisje gaan halen wijn
het was 's avonds alzo late.
Zij kwam al voor een hazelaarsboom
en daar bleef zij wat tegen staan praten.

Wel hazelaar, zo zei zij, hazelaarsboom
en vanwaar bent gij zo groene?
Mooi meisje, zo zei hij, meisje fijn
en vanwaar bent gij zo schone?

Waar dat ik, hazelaar, zo schone van ben
en dat zal ik jou, hazelaar, zeggen:
ik eet er gebraden en drink er de wijn
en ik slaap er op een zacht bedde.

Eet gij er gebraden en drinkt gij de wijn
en slaapt gij op een zacht bedde koene?
De koele dauw is er gevallen op mijn
en daarvan ben ik, hazelaar, groene.

Is er de koele dauw gevallen op jou
en bent gij daarvan, hazelaar, groene?
Maar 's winters als 't hagelt en koud valt de sneeuw
dan ben gij weer, hazelaar, dorre.

's Winters het hagelt en koud valt de sneeuw
en te mei dan bloei ik weder.
Mooi meisje, als gij er jouw eertje verliest
gij en krijgt ze van jouw leven niet weder.

Nu ik dank jou zeer, wel hazelaarsboom
voor al jouw zoete praten
ik meende na mijn slaapboeltje te gaan
en nou zal ik dat, hazelaar, laten.


bladmuziek     vergroting

slaapboeltje: minnaar

Dit lied is o.m. opgenomen in:
De vroolyke speelpop (1730)
F. van Duyse, Het oude Nederlandsche lied (1903)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Het daghet in den oosten
het lichtet overal.
Hoe luttel weet mijn liefken,
och waer ick henen sal.

Och warent al mijn vrienden
dat mijn vijanden sijn,
ick voerde u uuten lande,
mijn lief, mijn minnekijn.

Dats waer soudi mi voeren,
stout ridder wel gemeyt?
Ic ligge in mijns liefs armkens
met grooter waerdicheyt.

Ligdy in uus liefs armen?
Bilo, ghi en segt niet waer!
Gaet henen ter linde groene,
versleghen so leyt hi daer.

Tmeysken nam haren mantel
ende si ghinc eenen ghanck
al totter linde groene
daer si den dooden vant.

Och, ligdy hier verslaghen,
versmoort in al u bloet?
Dat heeft gedaen u roemen
ende uwen hooghen moet.

Och, ligdy hier verslaghen,
die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten?
So menighen droeven dach.

Tmeysken nam haren mantel
ende si ghinck eenen ganck
al voor haers vaders poorte,
die si ontsloten vant.

Och, is hier eenich heere,
oft eenich edel man,
die mi mijnen dooden
begraven helpen can?

Die heeren sweghen stille,
si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme,
si ghinc al weenende uut.

Si nam hem in haren armen,
si custe hem voor den mont
in eender corten wijlen
tot also menigher stont.

Met sinen blancken swaerde
dat si die aerde op groef,
met haer snee witten armen
ten grave dat si hem droech.

Nu wil ic mi gaen begeven
in een cleyn cloosterkijn
ende draghen swarte wijlen
ende worden een nonnekijn.

Met haer claer stemme,
die misse dat si sanck,
met haer snee witten handen
dat si dat belleken clankc.


bladmuziek     vergroting

Middeleeuws lied.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Haerlems Oudt Liedt-Boeck (1716)
J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen (1848)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve Gerritje,
dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve meid.

Zeg, wat zal je drinken,
zoete lieve Gerritje,
zeg wat zal je drinken,
zoete lieve meid?

Brandewijn met suiker,
zoete lieve Gerritje,
brandewijn met suiker,
zoete lieve meid.

Wie zal dat betalen,
zoete lieve Gerritje,
wie zal dat betalen
zoete lieve meid?

d' Eerste boer de beste,
zoete lieve Gerritje,
d' Eerste boer de beste,
zoete lieve meid.


bladmuziek     vergroting

Melodie strofe 1, 3 en 5 gelijk.
Melodie strofe 2 en 4 gelijk.

Variant tekst en melodie bij kinderliedjes.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
M.A. Brandts Buys, Gezelschapsliederen Oud en Nieuw (1875)
F.R. Coers, Liederen van Groot-Nederland (ca. 1920)
L. Hiel, Zing mee (1941)
(zie: Bronnen).







Din-din-din dy kwam fan Brugge
met syn knapzak op syn rugge
met syn stok al in syn hand
so ging Din-din-din deur 't land.


bladmuziek     vergroting

Canon.

Commentaar: i.p.v. din-din-din ook: Dou dou deine, don don deine, poppedeine, e.d.
I.p.v. knapzak ook: pappot, kastje, kanneke of paksken.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Dykstra en Van der Meulen, Snypsnaren (1882)
J. van Vloten, Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (1894)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Doen Hanselijn over der heide reed,
hoe haastig werd hij gevangen!
Hij wierde al op een toren geleid,
geboeied wel alzo strange, alzo strange.

En dat verhoorde een meisje jong,
een meisje van zeventien jaren;
zij ging al voor haar moedertje staan,
hei, daarna al voor haar vader, voor haar vader.

Och vadertje, zeide zij, vader van mijn,
mijn aldergenadigste here,
woudt gij mij deze gevangen man geven,
de vrome landsknechtjes ter eren, ja ter eren?

De gevangen man en krijgt gij niet,
want hij zal moeten sterven,
hij is er van zeven landsheren verwezen
alzo veer in vreemde erven, vreemde erven.

Het meisje liet bakken twee witte brood
daarin twee scherpe vijlen,
zij wierp ze al in den toren, was hoog,
hei landsknechtje, wilt jou losvijlen, ja losvijlen.

Hij vijlden zo menigen nacht en dag,
zo menigen stouten uren,
totdat er de toren ontsloten was,
hei, men zag er nooit landsknecht treuren, landsknecht treuren.

Zij trok hem daar wee laarzen an,
daartoe twee scherpe sporen,
zij zetten hem op haar vaders grauw ros,
Landsknecht geef de moed niet verloren, niet verloren!

Doen hij ter halverwegen kwam,
hij keek zo dikmaal omme,
hij docht er wel om den toren, was hoog,
maar nog meer om 't meisken, was jonge, ja was jonge.

Nu heb ik al die jonkvrouwen lief,
al omme de wille van ene,
zij heeft er behouden het leven van mijn,
ach mocht ik haar dienaar wezen, ja wezen.


bladmuziek     vergroting

doen: toen / verwezen: verbannen

Dit lied is o.m. opgenomen in:
't Dubbelt verbetert Amsterdamse Liedboeck (1639)
Haarlems oud liedboek (1640)
J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen (1848)
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Drie ganzen in 't haverstro zitten daar en snaat'ren zo.
Komt de boer geslopen, port eens in de hopen
hij roept: Hallo, hallo, hallo!
Drie hele dikke vette ganzen in het haverstro.


bladmuziek     vergroting

Canon.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers, Nederlands Volkslied (1941, 1977)
(zie: Bronnen).







Drie Schuintamboers, die kwamen uit het Oosten,
drie Schuintamboers, die kwamen uit het Oosten
van je rom bom wat maal ik er om,
die kwamen uit het Oosten rom bom.

Een van de drie, zag daar een aardig meisje,
een van de drie, zag daar een aardig meisje
van je rom bom wat maal ik erom,
zag daar een aardig meisje rom bom.

Zeg meisjelief, wil jij met mij verkeren?
zeg meisjelief, wil jij met mij verkeren?
van je rom bom wat maal ik erom,
wil jij met mij verkeren rom bom.

Nou jongeman, dat moet je mijn vader vragen,
nou jongeman, dat moet je mijn vader vragen
van je rom bom wat maal ik erom,
dat moet je mijn vader vragen rom bom.

Zeg ouweheer, mag ik je dochter trouwen?
zeg ouweheer, mag ik je dochter trouwen?
van je rom bom wat maal ik erom
mag ik je dochter trouwen rom bom.

Nou jongeman, zeg mij wat is je rijkdom,
nou jongeman, zeg mij wat is je rijkdom
van je rom bom wat maal ik erom,
zeg mij wat is je rijkdom rom bom.

Mijn rijkdom is, daar wil ik niet om jokken,
mijn rijkdom is, een trommel met twee stokken
van je rom bom wat maal ik erom,
een trommel met twee stokken rom bom.

Nou jongeman, dan kun je haar niet krijgen,
nou jongeman, dan kun je haar niet krijgen
van je rom bom wat maal ik erom,
dan kun je haar niet krijgen rom bom.

Zeg ouweheer, ik ben nog wat vergeten,
zeg ouweheer, ik ben nog wat vergeten
van je rom bom wat maal ik erom,
ik ben nog wat vergeten rom bom.

Mijn vader is Groot Hertog van Castille,
mijn vader is Groot Hertog van Castille
van je rom bom wat maal ik erom,
Groot Hertog van Castille rom bom.

Dan jongeman, mag jij mijn dochter trouwen,
dan jongeman, mag jij mijn dochter trouwen
van je rom bom wat maal ik erom,
jij mag mijn dochter trouwen rom bom.

Nee ouweheer, je mag je dochter houwen,
nee ouweheer, je mag je dochter houwen
van je rom bom wat maal ik erom,
je mag je dochter houwen rom bom.


bladmuziek     vergroting

Dit lied is o.m. opgenomen in:
F.A. Snellaert, Oude en nieuwe liedjes (1864)
Wouters en Moormann, Het straatlied (1933)
L. Hiel, Zing mee (1941)
L. van Gemert, Zing (1959)
(zie: Bronnen).







Dubbele Jan die zie je niet meer op de kermis staan
hij is er met zijn wagentje vandoor gegaan.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Boven daarop daar stond een ouwe tingeldoos
die schoner speulde dan de meeste radio's.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Voor zijn wagen liep er een ouwe merrie mee
die gisteren nog de mallemolen draaien dee.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?

Zoek die Jan vanavond in de maneschijn
want zonder Dubbele Jan kan er geen kermis zijn.

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde ge heen gevaren
Jan, Jan, waar zijde ge heen gegaan?


bladmuziek     vergroting

Tekst: Harrie Beex.
Muziek: Floris van der Putt.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Den Brembosch (1950)
L. van Gemert, Zing (1959, 1977)
(zie: Bronnen).









19e-eeuws liedblaadje
- liedbladen en straatliederen -




©  copyright bladmuziek en muziek:
klik hier.

   






Home     Bronnen     Zoek     Kinderliedjes     Links     Gastenboek     Colofon