In de Overtuin

De website waar muziek in zit !




Home

Volksliedjes A
Volksliedjes B
Volksliedjes C
Volksliedjes D
Volksliedjes E
Volksliedjes F
Volksliedjes G
Volksliedjes H
Volksliedjes I
Volksliedjes J
Volksliedjes K
Volksliedjes L
Volksliedjes M
Volksliedjes N
Volksliedjes O
Volksliedjes P
Volksliedjes R
Volksliedjes S
Volksliedjes T
Volksliedjes U
Volksliedjes V
Volksliedjes W  /  Wi
Volksliedjes IJ
Volksliedjes Z

Wilhelmus

Volkslied provincies

Zoek !





















Info

Inhoud website:
volksliedjes - nederlandse volksliedjes W - ruim 150 oude bekende traditionele volksliederen - complete teksten klassieke oude liedjes tekst en muziek nederlands volkslied nederland nederlands lied liedje nederlandstalig volksliedje nederlandstalige liederen

Trefwoorden: songtekst songteksten songtext liedtekst liedteksten ouderwets ouderwetse liedjes van vroeger liederen uit grootmoeders tijd nederlandse liedjes nederland holland hollandse liedjes liedboekjes zingen meezingen oud liedje uit het verleden jeugd vorige eeuw auteur componist volksmuziek liedblaadjes muziekgeschiedenis

Varianten: wie gaat er mee over zee hou het roer recht wie was degene die die lovertjes brak de winter is een onweerd gast onwaard dag de winter is vergangen ik zie de meies schijn meienschijn meieschijn meiesschijn kadullekes wij willen van de kerels zingen ze zijn van kwade aard wil heden nu treden voor God de heer wij leven vrij wij leven blij op Nederlands dierbare grond
Nederlandse volksliedjes
 ∼  va. Wi  ∼ 


               




Wie gaat mee, gaat er mee over zee?
Houd het roer recht!
Fris blaast de wind langs de zee.
Blijft ge in 't nest, met de rest?
Houd het roer recht!
Ons lijkt de zee 't allerbest!
Wie wat worden wil,
wel die zit niet stil,
neen, hij trekke 't zeegat uit;
zie hem wacht rijke buit.

Bij de hand, bij de hand voor het land!
Houd het roer recht!
Zo klinkt het luid van alle kant.
Vooruit het oog, het oog en omhoog.
Houd het roer recht!
Dat u geen storm verrassen moog!
Met het oog in 't zeil en voor niemand veil
stuurt de zeeman 't zwemmend paard,
nooit voor iemand vervaard.

Een hoezee, hoezee voor de zee!
Houd het roer recht!
Jongens van Holland, roept het mee!
Hier is 't veld, is 't veld voor de held.
Houd het roer recht!
Hier toont de man, wat hij geldt,
onder 't zeemansbuis, daar is moed nog thuis,
in zijn vuist ligt heel zijn lot,
hij vreest niets dan God.


Tekst: A.D. Loman.
Muziek: op de wijs van 'Isser yemant uyt Oost-Indiën gekomen'
(Valerius, Gedenck-Clanck).

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Wie rusten wil in 't groene woud,
wie rusten wil met lusten,
hij kiez' een plekje dicht in 't hout
en vlije zich ter rusten.
Een peluwtje van mollig mos,
een kussentje van varen
en een gordijn van blaren
geeft zoeten middagslaap in 't bosch.
Een peluwtje van mollig mos,
een kussentje van varen
en een gordijn van blaren
geeft zoeten middagslaap in 't bosch.

De hemel van het ledikant
blinkt prachtig blauw door ' loover.
De heesters sling'ren om den rand,
de bloesem hangt erover.
Het koeltje fluistert met den vliet,
de dart'le vlinders spelen,
de nachtgalen kweelen...
Is 't niet een lieflijk wiegelied?
Het koeltje fluistert met den vliet,
de dart'le vlinders spelen,
de nachtgalen kweelen...
Is 't niet een lieflijk wiegelied?

En 't best is dat het groene woud
met koeltj' en rust u lavend
van u geen zilver vraagt of goud,
al slaapt gij tot den avond.
't Vraagt enkel: zijt gij mat of moe?
De slaapstee is voor allen
en is ze goed bevallen,
dan krijgt gij 't avondgoud nog toe.
't Vraagt enkel: zijt gij mat of moe?
De slaapstee is voor allen
en is ze goed bevallen,
dan krijgt gij 't avondgoud nog toe.


Bekend onder de titel: Een middagslaapje.

Tekst: J.P Heije.
Muziek: J. Worp.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Wie wil er mee naar Wieringen varen,
's morgens vroeg al in de dauw,
met een mooi meisje van achttien jaren,
dat zo graag naar Wieringen wou?

Schipper, ik hoor de hanen kraaien,
schipper, ik zie de vlaggetjes waaien.
Stuurman, laat je roer maar gaan
dan zullen we spoedig op Wieringen staan.


Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kunst (1947)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Wie was diegene die die loverkens brak
ende die ze in der narrenkappe stak?
Het wil hem openbaren.
Wij riepen dat druise al vanden hemel an,
wij vrome landsknechten allen.

Het was op enen Pinkstermaandag
dat men de storm voor Munster zag,
ontrent de zeven uren.
Daar bleef zo menig landsknecht dood
te Munster onder die muren.

Die storm die duurde een korte tijd,
tot dat die metten waren bereid.
Die metten waren gezongen,
doen schoten wij daar drie bussen los.
Alarm, zo sloegen die trommelen.

Wij vielen Munster dapperlijk an.
Wij leden schade zo menigen man,
men zag daar menig bloed vergieten.
Men zag daar menigen vromen landsknecht,
het bloed liep over haar voeten.

Die landsknechten waren in groter nood:
daar bleef er wel drieduizend dood
in onderhalver ure.
Was dat niet een grote schare van volk?
Nog en zal geen landsknecht treuren.

Wij weken in een wilde veld.
In die schansen hebben wij gevoerd ons geld.
Ene raad zouden zij ons geven.
Wij riepen Maria, Gods moeder, aan:
beschermt ons lijf ende leven!

Knipperdollink tot zijnen knechten sprak:
Gij borgers, koomt hier op die wacht,
laat ons den hoop aanschouwen:
al waren zij nog drieduizend sterk,
de prijs willen wij behouden!

Een busschieter die daar was,
hij schoot drie kortouwen al op dat pas
veel snelder dan een duive.
Wisten 't mijn vader ende moeder thuis,
zij zouden mij helpen treuren!

Die dit liedeken eerstmaal zank,
een vroom landsknecht is hij genaamd,
hij hevet zeer wel gezongen.
Hij heeft te Munster aan dans geweest,
de rei is hij ontsprongen!


Middeleeuws lied.

die loverkens brak: de lauweren plukte / bussen: kanonnen /
Knipperdollink: aanvoerder v.d. Wederdopers in Munster /
kortouwen: kanonnen

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Willen wij, willen wij 't haasken
jagen door de hei?
Ja, het haasken, gij en ikke,
door den dinne, door den dikke,
't haasken willen wij jagen gaan
't haasken willen wij jagen gaan.

Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!
Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!

't Haasken blij, 't haasken blij
kwam gelopen door de hei.
Onder 't groen geboomt gezeten
waren zij geheel vergeten
wat ze moesten jagen gaan
wat ze moesten jagen gaan.

Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!
Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!

Haasken vrij, haasken vrij
wil maar spelen door de hei.
't Jagerken dat is gevangen
door heur schone rode wangen.
't Meisken wilde hem jagen gaan
't meisken wilde hem jagen gaan.

Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!
Deur haasken, dodelijk haasken
deur haasken, door de hei!


Dit lied is o.m. opgenomen in:
F. van Duyse (1903-08)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Wilt heden nu treden voor God, den Heere
hem boven al loven van harte zeer
en maken groot zijns lieven namens eere
die daar nu onzen vijand slaat terneer.

Ter eeren ons Heeren wilt al uw dagen
dit wonder bijzonder gedenken toch
maakt u, o mensch, voor God steeds wel te dragen
doet ieder recht en wacht u voor bedrog.

Bidt, waket en maket, dat g'in bekoring
En 't kwade met schade toch niet en valt
uw vroomheid brengt den vijand tot verstoring
al waar' zijn rijk nog eens zoo sterk bewald.


Geuzenlied.

vroomheid=dapperheid / bewald=ommuurd

Tekst: A. Valerius.
Muziek: op de wijs van 'Wilder dan wild, wie zal mij temmen'.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Het windje steekt op, hoor het roept ons naar zee
Joho, joho, joho!
Neem afscheid mijn jongens, de boot ligt alreê
Joho, joho, joho!
We hupp'len met 't scheepjen de haven blij uit
En keren vanavond beladen met buit
Terug naar het land, terug naar het land.

De kabb'lende golfjes bespatten het boord
Joho, joho, joho!
Het schaapsvolk zingt vroolijk, zooals het behoort
Joho, joho, joho!
De wind blaast in 't zeil dat zicht bolt om den mast
De schipper houdt stevig den helmstok maar vast
En tuurt over zee, en tuurt over zee.

En straks, als het net zwaar wordt binnengehaald
Joho, joho, joho!
Dan wordt er door Janmaat niet langer gedraald
Joho, joho, joho!
Zijn hart trekt naar moeder, naar vrouw of naar kind
Naar 't huisje waarin hij gezelligheid vindt
En rust na het werk, en rust na het werk.


Tekst: H. Gras.
Muziek: G.H. Harting.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Den winter is een onweerd gast,
dat merk ik aan den dage.
Ik had een boelken ende dat was waar
in 't openbaar.
Zij en was mij niet getrouwe;
des ik rouwe.

Het gaat ten vastelavond waart,
nu lengen ons de dagen.
Mijn lief bood mij een kranselijn
van peerlen fijn,
oft ik zoude willen dragen
tot den dage.

Daarna komt ons die lieven tijd,
zo spruiten ons die bloemkens;
zij springen uit zo menigerlei,
koel is den mei.
Ik hore de nachtegaal zingen
van minnen.


Middeleeuws lied.

onweerd: onwelkom / boelken: vriendinnetje

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Die winter is vergangen,
ik zie des meien schijn;
ik zie die bloemkens hangen,
des is mijn hart verblijd.
Zo ver aan genen dale,
daar is 't genoeglijk zijn;
daar zinget die nachtegale,
alzo menig woudvogelkijn.

Ik wil den mei gaan houwen
al in dat groene gras,
en schenken mijn boel die trouwe,
die mij de liefste was;
en bidden dat zij wil komen
al voor haar vensterken staan
end' ontvangen de mei met bloemen:
hij is zo wel gedaan.

Ende doe die zuiverlijke,
zijn reden hadde gehoord,
doe stond zij treurendlijke;
met des sprak zij een woord:
Ik heb den mei ontvangen
met groter waardigheid.
Hij kust ze aan de wangen
was dat niet eerbaarheid?

Hij nam ze zonder treuren
al in zijn armkens blank.
Die wachter op der muren
die hief op een lied ende sanc:
En is daar iemand inne,
die mag wel huiswaarts gaan:
ik zie den dag opdringen
al door die wolken klaar.

Och wachter op der muren,
hoe kwelstu mij zo hard!
Ik lig in zwaren treuren;
mijn herte dat lijdet smart.
Dat doet die alreliefste,
dat ik van haar scheiden moet
dat klaag ik God den Here,
dat ik ze laten moet.

Adieu, mijn alreliefste,
adieu, schoon bloemken fijn,
adieu, schoon rozebloeme,
daar moet gescheiden zijn.
Hent dat ik wederkome
die liefste zoudt gij zijn:
dat herte in mijnen lijve
dat hoort ja altijd dijn.


Middeleeuws lied.

boel = geliefde / hent dat = totdat

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Die winter is vergangen
ik zie des meis virtuit
ik zie die loverkens hangen
die bloemen spruiten in 't kruid.

In genen groenen dale
daar is 't genoeglijk zijn
daar zinget die nachtegale
end' zo menig vogelkijn.


Middeleeuws lied.
Gelijk aan de 2e strofe van Het viel een hemels dauwe.

virtuit: kracht.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Antwerps liedboek (1544)   - boek -   - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Des winters als het regent
dan zijn de paadjes diep, ja diep.
Dan komt dat loze vissertje
vissen al inne dat riet.

Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok,
met zijne lapzak, met zijne knapzak,
met zijnde leren, van dirre domdere,
met zijne leren laarsjes aan.

Dat loze molenarinnetje
ging in haar deurtje staan, ja staan,
omdat dat aardig vissertje
voorbij haar henen zou gaan.

Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok,
met zijne lapzak, met zijne knapzak,
met zijnde leren, van dirre domdere,
met zijne leren laarsjes aan.

Wat heb ik jou bedreven,
wat heb ik jou misdaan, ja daan,
en dat ik niet met vreden
voorbij jouw deurtje mag gaan?

Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok,
met zijne lapzak, met zijne knapzak,
met zijnde leren, van dirre domdere,
met zijne leren laarsjes aan.

gij hebt mij niet misdreven,
gij hebt mij niet misdaan, ja daan,
maar gij moet mijn driemaal zoenen
er gij van hier meugt gaan.


rijfstok: hengel / strijkstok: schepnet

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Haarlems oudt liedt-boeck (1640)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Word wakker, 't zonnetje is al op,
de bloempjes kijken uit hun knop.
De vlugge leeuwerik zingt zijn lied,
't is allemaal schoonheid wat je ziet!
Word wakker, word wakker, word wakker,
word wakker, word wakker, word wakker.

Word wakker, 't zonnetje is al op,
de bloemen kijken uit hun knop.
De vlugge leeuwerik zingt al lang,
de zwaluw sjilpt haar morgenzang.
Word wakker, word wakker, word wakker,
word wakker, word wakker, word wakker.

Het duifje strijkt zijn veertjes glad,
en trippelt vrolijk over 't pad.
De haan kraait voor de tweede keer,
't is alles al buiten in de weer.
Word wakker, word wakker, word wakker,
word wakker, word wakker, word wakker.








Wij leven vrij, wij leven blij
op Neêrlands dierb'ren grond.
Ontworsteld aan de slavernij
zijn wij door eendracht groot en vrij
hier duldt de grond geen dwinglandij
waar vrijheid eeuwen stond
waar vrijheid eeuwen stond.

Hoe dierbaar is ons 't vaderland
der helden bakermat
der kunsten wieg, 't gezegend strand
waar 't heilig recht zijn zetel plant
en deugd met een fluwelen band
vorstin en volk omvat
vorstin en volk omvat.

Wij leven vrij, wij leven blij
wij dienen eenen God.
Wat ook 't verschil in dienen zij
de wet laat ied'ren godsdienst vrij
vereend als broeders juichen wij:
gezegend is ons lot
gezegend is ons lot.

Zo leven w' altijd vrij en blij
op Neêrlands dierb'ren grond.
Door trouw aan eigen wetten vrij
praalt Neêrland in der volken rij
en 't vaderland blijf groot en vrij
tot 's werelds avondstond
tot 's werelds avondstond.


Tekst: M.J. Brand van Cabauw.
Muziek: J.W. Wilms.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Wij willen Holland houden,
ons Holland fier maar klein.
Wij blijven 't hou en trouwe,
wat ook zijn lot moog' zijn.
En wie ons denkt te dreigen
en denkt te nemen ooit
hij zal ons land niet krijgen
wij geven Holland nooit.

En vast aan onze zijde,
zal Hollands Leeuw daar staan:
die zal het nimmer lijden
dat Holland zal vergaan.
Zolang de Leeuw zal dragen
zijn zwaard en zijne kroon
zal hij ons land ook schragen,
en staan naast volk en troon.

Ons Holland zal niet vallen
zal nimmermeer vergaan,
de Leeuw staat met ons allen,
zal met ons blijven staan.
De Leeuw zal Holland houden
zijn zwaard en zijne kroon
en tot de dood getrouwe,
bewaken volk en troon.


Tekst: H.W. van der Mey.
Muziek: A. Spoel.

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).







Wij willen van den kerels zingen!
Zij zijn van kwader aard:
zij willen de ruters dwingen,
zij dragen enen langen baard.
Haar kleedren die zijn al ontnaaid,
een hoedekijn up haar hoofd gekapt,
't Kaproen staat al verdraaid,
haar kousen end' haar schoen gelapt.

refrein:

Wrongel, wei, brood ende kaas,
dat eet hij al den dag,
daaromme es de kerel zo daas:
hij eet's meer dan hij's mag.

Enen groten ruggenen kant
es harde wel zijn gevoeg;
die neemt hij in zijn hand,
als hij wil gaan ter ploeg.
Dan komt tot hem zijn wijf, de vule,
spinnende met enen rok,
een sleter omtrent haar mule,
ende gaat zijn schuutle brok.

refr.

Ter kermesse wil hij gaan:
hem dinkt dat hij es een grave;
daar wil hij 't al ommeslaan
met zijnen verroesten stave.
Dan gaat hij drinken van den wijne,
sappans es hij versmoord;
dan es al de wereld zijne:
stede, land ende poort.

refr.

Wij willen de kerels doen grijzen,
al dravend over 't veld;
het 's al kwaad dat zij peinzen.
Ik weet ze wel besteld:
men ze za slepen end' hangen;
haar baard es al te lank.
Zijne konnen 's niet ontgangen:
zijn dochten niet zonder bedwank.


kerels: onbeschaafde boeren / kaproen: mantelkap /
grijzen: angstig kijken / dochten niet: deugen niet

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Gruuthuse handschrift (ca. 1400)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).







Wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, al goe kadullen,
wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, groot en kleen.

Zou me nie meugen een pintje drinken,
zonder daarom een dronkaard te zijn?
Zou me nie meugen een pintje drinken,
zonder daarom een dronkaard te zijn?

Wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, al goe kadullen,
wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, groot en kleen.

Zou me nie meugen een kusje nemen,
zonder daarom een dief te zijn?
Zou me nie meugen een kusje nemen,
zonder daarom een dief te zijn?

Wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, al goe kadullen,
wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, groot en kleen.

Zou me nie meugen een visjen eten,
zou me nie meugen eens vrolijk zijn?
Zou me nie meugen een visjen eten,
zou me nie meugen eens vrolijk zijn?

Wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, al goe kadullen,
wij zijn al bijeen,
al goe kadulletjes, groot en kleen.


kadulletjes: gezellige dikkerds

Dit lied is o.m. opgenomen in:
Coussemaker (1856)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).









19e-eeuwse liedzanger.
De liedjeszangers hadden een roldoek ('smartlap' -
een plakaat met afbeeldingen) met illustraties bij het lied
en verkochten de liedteksten op losse liedblaadjes voor 1 of 5 cent.




               






Home     Bronnen     Zoek     Kinderliedjes     Links     Gastenboek     Colofon