Het waait een windeken koel uit den oosten
hoe lustelijk staat dat groene woud!
Die vogelkens zingen. Wie zal mij troosten?
Vrouwengepeins is menigvoud.
Ik wil mijzelven eens gaan vermeiden
al daar die liefste te wonen plach
ende denken om den tijd voorleden
God geve die liefste goeden dag.
Ik was een klerksken, ik lag ter scholen
den rechten weg heb ik gemist.
Schoon jonge vrouwen doen mij dolen
weder te keren, dat dunkt mij best.
Nog weet ik een liefken uitverkoren
daar ware ik alzo gaarne bij.
Wat ik ze minne, 't is al verloren
kranken troost zo geeft zij mij.
Al op den hoek van dezer straten
daar woont een properen meisken fijn
daar zal ik nog enen nacht bij slapen
oft kraai en zal d'r geen vogel zijn.
Rijk God, mag ik den dag nog leven
dat zij mij minde ende ik haar niet!
zo zoude mijn herteken in vreugden leven
dat nu leit in zwaar verdriet.
Middeleeuws lied.
vrouwengepeins is menigvoud: wat er in een vrouw omgaat is
onbegrijpelijk / klerksken: student
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Waar dat men zich al keert of wendt,
end' waar men loopt of staat,
waar dat men reist of rotst of rent,
end' waar men henen gaat,
daar vindt men, 't zij ook op wat ree,
d'Hollander en de Zeeuw;
zij lopen door de woeste zee
als door het bos de leeuw.
O Neêrland, zo gij maar en bouwt
op God den Heer altijd,
uw pijlen vast gebonden houdt
en t'zaam eendrachtig zijt,
zo kan u duivel, hel noch dood
niet krenken noch vertreên,
al waar' ook Spanje nog zo groot,
ja 's werelds machten een.
Geuzenlied.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Waar de blanke top der duinen
schittert in de zonnegloed
en de Noordzee vriend'lijk bruisend,
Neerlands smalle kust begroet;
juich ik aan het vlakke strand,
juich ik aan het vlakke strand,
'k heb u lief, mijn Nederland,
'k heb u lief mijn Nederland.
Waar het lachend groen der heuvels
't kleed der stille heide omzoomt,
waar langs rijk beladen velden
Rijn of Maas of Schelde stroomt;
klinkt mijn lied op oude trant,
klinkt mijn lied op oude trant,
'k heb u lief, mijn Nederland,
'k heb u lief mijn Nederland.
Blijf gezegend, land der vaderen,
make uw eendracht sterk en groot
blijve 't volk der koninginne
houw en trouw in nood en dood!
Doe zo ieder 't woord gestand,
doe zo ieder het woord gestand,
'k heb u lief, mijn Nederland,
'k heb u lief mijn Nederland.
Bekend onder de titel: Mijn Nederland.
Tekst: P. Louwerse.
Muziek: R. Hol.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Ons Gelderland
Waar der beuken breede kronen
ons heur koele schaduw biên;
waar we groene dennebosschen,
paarse heidevelden zien;
waar de blonde roggeakker
en het beekje ons oog bekoort,
daar is onze Vale ouwe,
kost'lijk deel van Gelre's oord.
kost'lijk deel van Gelre's oord.
Waar bij zomerzon de boomgaard
kleurig ooft den wand'laar toont,
en de vruchtb're korenakker
stagen arbeid rijk'lijk loont;
waar het aorige rivierke
rustig stroomt langs groenen boord,
daar is onze rijke Betuw
kost'lijk deel van Gelre's oord.
kost'lijk deel van Gelre's oord.
Waar kasteelen statig prijzen
rond door park en bosch omringd,
waar het voog'lenkoor zijn lied'ren
in het dichte loover zingt;
waar het lief'lijk schoon na 't landschap
't oog des schilders steeds bekoort,
eaar is onze "olde Graafschap",
kost'lijk deel van Gelre's oord.
kost'lijk deel van Gelre's oord.
Onofficieel volkslied van de provincie Gelderland
(maar veel bekender dan het officiële lied).
Tekst en muziek: C.J.C. Geerlings.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (zie: Bronnen).
Waar ik ga, waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit, volgt hij luid
maar ik lacht hem lustig uit: Guit!
Waar ik ga, waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit, volgt hij luid
maar ik lacht hem lustig uit.
Canon.
Muziek: Br. Leontinus.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Het waren twee koninghs kindren,
sy hadden malkander soo lief;
sy konden by malkander niet komen,
het water was veel te diep.
Wat deed si? Si stack op drie keerssen,
drie keerssen van twaelf int pont,
om daer mee te behouden
's konings soone van jaren was jonck.
Met een quam daer een besje,
een oude fenynde bes,
en die blies uyt de keerssen
daer verdroncker dien jongen helt.
Och moeder, seyde si, moeder,
mijn hooftje doet mi er so wee,
mocht ik er een wile gaan wandlen
spanceeren al langs de see.
Och dochter, seyde se, dochter,
alleen en meught ghy niet gaan,
weckt op u jongste suster,
en laet die met u gaen.
Mijn alderjongste suster
dat is also kleinen kint;
sy pluckt maer al de roosjes
die sy in haer wegen vint.
Sy pluckt maer al de roosjes,
en die bladertjes laet sy staen
dan klagen die lieden en seggen,
dat hebben 's konings kinderen gedaen.
De moeder ginc na de kercke,
de dochter gingh haren gank
zy gingh maer also verre
daer sy haer vaders visser vant.
Och visscher, seyde se, visscher,
mijn vaders visscherkijn,
sout ghy een weynigh visschen,
't zoud' u wel geloonet zijn.
Hy smeet zijn net in 't water,
de lodekens gingen te gront,
hoe haest was daer gevisset
's koninghs sone van jaren was jonck.
Wat trok sij van haren handen?
Een vingerling rode van gout:
Hout daer myns vaders visser,
dat isser den lone voor jou.
Sy nam haren lief in haer armen,
sy kusten hem aen sijnen mont;
och mondeken, kost ghy nog spreken!
och herteken waert gy gesont!
Zy hielt er haer lief in haer armen,
zy spronk er met hem in de zee:
Adieu, seyde sij, schone werelt,
van u leven siet ghy my niet meer.
Adieu mijn vader en moeder,
mijn vriendekens alle gelijck,
adieu mijne suster en broeder,
ick vaerder naer 't hemelrijk.
Middeleeuws lied.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Willems (1848)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Het was een kind, zo kleinen kind,
en een kind van twalef jaren.
't Zou met zijn boogje uit schieten gaan
daar hazen en konijntjes waren.
Het spande zijn boogje alzo stijf
en al in de diepste kerve;
het schoot daar hazen, konijntjes dood
daarom zo moest het sterven.
Dat vernam mijn heer al van Bruinswijk
en hij deed dat klein kind vangen;
hij zetten 't op een zo hogen kasteel;
hij zwoer hij zou 't doen hangen.
En dat vernam zijn moederkijn
zo veer in vreemde lande;
zij nam er haar zilver ende rood goud;
na Bruinswijk is zij gegangen.
Als zij te Bruinswijk binnenkwam
al voor dat huis, staat hoge,
daar vond zij haar kind, zo kleinen kind,
met twee wenende ogen.
Mijn edelen heer al van Bruinswijk,
wou jij mijn dat kind geven?
Ik heb er nog zilver ende rood goud,
en dat zal ik jou geven.
Jouw zilver en jouw roder goud
en dat mag hier niet baten:
al was er zijn halsje van roder goud,
zijn leven most het laten.
Mijn edelen heer al van Bruinswijk,
wou jij mijn dat kind geven?
Ik heb er nog zeven gedochters stout
en die zal ik jou geven.
Jouw zeven gedochters en wil ik niet:
de drie dat bennen nonnen;
de vier dat zijne zo edel landsvrouwen,
zij blinken tegen de zonne.
Mijn edelen heer al van Bruinswijk,
wou jij mijn dat kind geven?
Ik heb er nog zeven gezonen stout,
en die zal ik jou geven.
Jouw zeven gezonen en wil ik niet:
de drie dat bennen papen,
de vier dat zijnder zo edel landsheren,
zij dragen keizers wapen.
Als 't kind op 't eerste trapje trad,
het keek zo dikmaals omme:
dar zag het zijn zeven gezusters stout
van verre gereden kommen.
Rijd aan, rijd aan, gezusters stout,
en steekt jouw paard met sporen:
had jij der een half uur langer gebeid,
mijn leven waar' al verloren.
Als 't kind op 't tweede trapje trad,
het keek zo dikwijls omme:
daar zag het zijn zeven gebroeders stout
van verre gereden kommen.
Rijd aan, rijd aan, gebroeders stout,
en steekt jouw paard met sporen:
had jij der een half uur langer gebeid,
mijn leven waar' al verloren.
Als 't kind op 't derde trapje trad,
het most nog eensjes drinken;
het liet er zo menigen natten traan
al in de schale zinken.
Mijn edelen heer al van Bruinswijk,
nou sluit jouw poorte vaste:
morgenochtend eer dater den dag aankomt
zo zel jij krijgen gasten.
's Morgens als den dag opkwam,
de poorten gingen open,
doe lag er mijnheer al van Bruinswijk
al door zijn halsje geschoten.
Mijn edelen heer al van Bruinswijk,
hoe ben jij nou te moede?
Gisteravond doe was er jouw halsje sneeuwwit,
nu is 't zo rood als bloede.
Hoe dat ik nou te moede ben?
Dat zal ik jou wel zeggen:
ik heb er niet enen vriend zo groot
die mij ter aarde wil leggen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Haarlems oudt liedt-boeck (1640)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Wat voor vijand derft ons naken,
vier gebroeders op een peerd!
Ieder moet het vechten staken,
als wij spelen met ons zweerd.
Wij en achten gene slagen,
gene scheuten in de strijd,
want ons harnas kan 't al dragen
daar een ander zich voor mijdt.
Wij en zijn van honderd mannen
wel gewapend niet bevreesd.
Als wij maar den toom ontspannen,
dan weert zich ons peerd het meest.
Het kan lopen, het kan springen,
het kan vliegen door het zand;
gene mens en kan het dwingen,
want 't heeft altijd d' overhand.
Sa, ros Beyaard, toont uw krachten
en spaart uwe benen niet,
toont dat ieder hem moet wachten
die uw sterke tochten ziet.
Slaat van achter en van voren,
recht u op, 't is ons bevel.
Als wij steken met de sporen,
toont dat gij voor ons zijt snel.
Wij en zullen niemand wijken,
wat voor vijand ons komt aan;
ieder moet zijn wapens strijken
als wij met ons zweerden slaan.
Onzen iever is te achten
om 't geluk en onderstand
die wij zoeken en betrachten
voor het Mechels vaderland.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Jubileboek Mechelen (1825)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Wat zullen onze patriotjes eten,
als zij in 't leger zijn?
Een kieksje aan 't spit gesteken,
dat zullen onze patriotjes eten.
Kapitein, luitenant, vaanderig, sergeant, tamboer, korporaal,
patriotjes, altemaal: kameraden, kameraden.
Wat zullen onze patriotjes drinken,
als zij in 't leger zijn?
Den wijn uit zilver pinten,
dat zullen onze patriotjes drinken.
Kapitein, luitenant, vaanderig, sergeant, tamboer, korporaal,
patriotjes, altemaal: kameraden, kameraden.
Waarop zullen onze patriotjes slapen,
als zij in 't leger zijn?
Op een bed met schone lakens,
daarop zullen onze patriotjes slapen.
Kapitein, luitenant, vaanderig, sergeant, tamboer, korporaal,
patriotjes, altemaal: kameraden, kameraden.
Waarmee zullen onze patriotjes schieten,
als zij in 't leger zijn?
Met een kanon al met vier wieltjes,
daarmee zullen onze patriotjes schieten.
Kapitein, luitenant, vaanderig, sergeant, tamboer, korporaal,
patriotjes, altemaal: kameraden, kameraden.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Lootens en Feys (1879)
Pollmann en Tiggers, p46-47 (zie: Bronnen).
Wel Anne Marieken, waar gaat gij naar toe?
Wel Anne Marieken, waar gaat gij naar toe?
'k Gane naar buiten al bij de soldaten.
Hoepsasa, falala, Anne Marie.
Wel Anne Marieken, wat gaat gij daar doen?
Wel Anne Marieken, wat gaat gij daar doen?
haspen en spinnen, soldaatjes beminnen,
Hoepsasa, falala, Anne Marie.
Wel Anne Mariken, hebt gij er geen man?
Wel Anne Mariken, hebt gij er geen man?
Heb ik geen man, ik krijge geen slagen.
Hoepsasa, falala, Anne Marie.
Wel Anne Marieken, hebt gij er geen kind?
Wel Anne Marieken, hebt gij er geen kind?
Heb ik geen kind, ik moete niet zorgen.
Hoepsasa, falala, Anne Marie.
Wel Anne Marieken, hebt gij er geen lief?
Wel Anne Marieken, hebt gij er geen lief?
'k Heb er niet één, ik heb er wel zeven!
Hoepsasa, falala, Anne Marie.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Willems (1848)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).

Middeleeuwse miniatuur
van een troubadour
(handschrift onbekend).
|