De vastenavond die komt an
wij zingen: ho man ho!
Geeft ons een pankoek uit de pan
en zo meneer alzo.
En nu 't vastenavond is
nu zijn alle keeltjes fris,
van dirdon, van dirdon
van dirdon, van dirdondeine,
het spelen gaat gewis.
Tsa meisjes, zet de pan te vier
slaat eieren in het meel
en haalt een kruikje smokkelbier
zo smeren wij de keel.
En terwijl gij aan de haard
koekjes uit de pan vergaard
van dirdon, van dirdon
van dirdon, van dirdondeine,
spelen wij met de kaart.
Wat raai je: zelf het klaver troef
of zel het schoppen zijn?
Neen, geen van bei: 't is harten, boef,
en 't aasje da's voor mijn.
Hei, wel hei, wat zeg je nu?
Speel je mee of ben je schu?
Van dirdon, van dirdon
van dirdon, van dirdondeine,
Zie daar, daar's lanterlu.
Hier dient ook wel een glaasje bij
ik breng 't jou op de som,
u naaste geburen aan weerszij
nu vrijster, keert u om
en kust louter dat 't raakt
terwijl ons de wijn wel smaakt
van dirdon, van dirdon
van dirdon, van dirdondeine,
het wijntje vrolijk maakt.
vastenavond: de laatste avond van carnaval (de dinsdag voor aswoensdag).
lanterlu: bepaalde kaartcombinatie.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Cupidoos schighje (1656)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Het viel een hemels dauwe
voor mijns liefs vensterkijn.
Ik en weet geen schoonder vrouwe
zij staat in 't herte mijn.
Zij houdt mijn herte bevangen
't welk is zozeer doorwond
och, mocht ik troost ontvangen
zo waar' ik gans gezond.
Die winter is vergangen
ik zie des meis virtuit
ik zie die loverkens hangen
die bloemen spruiten in 't kruid.
In genen groenen dale
daar is 't genoeglijk zijn
daar zinget die nachtegale
end' zo menig vogelkijn.
Ik wil den mei gaan houwen
voor mijns liefs vensterkijn
ende schenken mijn lief trouwe
die alderliefste mijn.
Ende zeggen: Lief, wilt komen
voor uw klein vensterken staan,
ontvaat den mei met bloemen
hij is zo schone gedaan.
't Meisken zij was beraden
zij liet haar liefken in
heimelijk, al stille
in een klein kamerken.
Daar lagen zij twee verborgen
een korte wijle ende niet lank
die wachter op ter muren
hief op een lied, hij zank:
Och, is er iemand inne
die schaff' hem balde vandaan
ik zien den dag opdringen
al in dat oosten opgaan.
Nu schaft u balde van henen
tot op een ander tijd
den tijd zal nog wel keren
dat gij zult zijn verblijd.
Zwijget, wachter, stille,
end' laat uw zingen staan
daar is zo schoon een vrouwe
in mijnen armen bevaan.
Zij heeft mijn herte genezen
't welk was zozeer doorwond
och wachter, goed geprezen
en makes niemand kond.
Ik zie den dag opdringen
't scheiden moet immer zijn.
Ik moet mijn dagelied zingen
wacht u, edel ruiter fijn
ende maakt u ras van henen
tot op een ander tijd
de tijd zal nog wel komen
dat gij zult zijn verblijd.
Middeleeuws lied (wachterslied).
Tweede strofe is bekend als apart lied, zie Die winter is vergangen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Viva, viva la musica!
Viva la musica!
Viva, viva la musica!
Viva la musica!
Canon (Italiaans).
Muziek: J. Schouten.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Het voer een maagdelijn over de Rijn
tsavonds al in der maneschijn
met haar sneeuwwitte handen,
met haar sneeuwwitte handen,
die winter, tot haar schande, ja schande.
Met dien kwam daar een ridder gereden.
Hij groette die maged tot dier stede,
hij zeide: God groet u, reine;
waarom staat gij hier alleine? ja alleine?
Waarom dat ik hier alleine sta?
Dat doet dat ik genen boel en ha
die ik met herten meine.
Daarom sta ik hier alleine, ja alleine.
Och maagdelijn, woudij met mij gaan,
ik zoude u leiden daar rooskens staan,
zo ver aan geender groender heiden,
daar schapen ende lammeren weiden, ja weiden.
Krijgsman, gij zijt te hoog geboren:
ik ontzie zozeer mijns vaders toren.
Ik wil 't mijnder moeder vragen
oft ik met den landsknecht mag wagen, ja wagen.
Och moeder, zeit zij, moeder mijn,
nu wekket mij in der maneschijn;
laat mij die lammeren weiden
zo ver aan geender groender heiden, ja heiden.
Och dochter, gij zijt nog wel te kleine;
gij slaapt nog wel een jaar alleine;
tsoheime zo zult gij blijven
ende spinnen die groene zijde, ja zijde.
Dat ik tsoheime blijven moet,
dat doet mijnder herten wederspoed:
die landsknecht mag mij werden,
desgelijks en was nooit op der aarden, ja aarden.
Die moeder sloot haar dore toe;
dat maagdelijn sprank ter venster uit.
Zij wilden den landsknecht haven,
haar leven woude zij wagen, ja wagen.
Die dit liedeken eerstwerf zank,
een vroom landsknecht is hij genaamd.
Hij hevet wel gezongen:
van die liefste is hij gedrongen, ja gedrongen.
Middeleeuws lied.
boel = minnaar / meine = minnen / geender = gindse
tsoheime = thuis / wederspoed = verdriet / haven = hebben
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Een vriend'lijk aardig vogelijn
zong in den held'ren zonneschijn
op zachten toon zijn afscheidslied:
'Vergeet den kleinen vogel niet!
Vaarwel, vaarwel, vaarwel,
de tijd vliedt snel, vaarwel, vaarwel!'
Ik keek den vogel droevig aan
en zei: 'Ge moogt niet henen gaan
ge blijft toch waarlijk al te kort
ik zorg voor u als het winter wordt.
Blijf hier, blijf hier, blijf hier,
mijn aardig dier, blijf hier, blijf hier!'
De vogel zong: ''t Wordt mij te koud
te dor in 't veld, te kaal in 't woud.
In 't voorjaar zien we elkander weer
voor mij zorgt onze Lieve Heer.
Ik kom, ik kom, ik kom
heel gauw weerom, ik kom weerom!'
Tekst: J.A. Böhringer.
Muziek: C.M. von Weber.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).

Middeleeuwse harpiste.
|