Een scheepje in de haven landt,
Hojo! Hojo, hojo, hojo!
Gevuld met specerijen,
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo!
En menig flinke jonge kwant
Met buidels vol tot aan den rand
En harten vol verblijen.
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo!
Een beetje pret na leed en last,
Hojo! Hojo, hojo, hojo!
Wie zou het u misgunnen.
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo!
Mar niet de zeilen volgebrast!
Toe, leg een reefje waar het past,
Het zou eens stormen kunnen.
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo!
Bekend onder de titel: Een scheepje, een gangspildeuntje.
Tekst: J.P. Heije.
Muziek: J.J. Viotta.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Schoon lief, hoe ligt gij hier en slaapt
in uwen eersten drome?
Wilt opstaan en den mei ontvaan
hij staat hier alzo schone.
'k En zou voor genen mei opstaan
mijn vensterken niet ontsluiten.
Plant uwen mei waar 't u gerei
plant uwen mei daarbuiten.
Waar zou 'k hem planten of waar doen?
't Is al op 's heren straten
de winternacht is koud en lang
hij zou zijn bloeien laten.
Schoon lief, laat hij zijn bloeien staan
wij zullen hem begraven
op 't kerkhof bij den eglantier
zijn graf zal roosjes dragen.
Schoon lief, en om die rozekens
zal 't nachtegaalken springen
en voor ons bei in elken mei
zijn zoete liedekens zingen.
Het planten van een meiboom aan het begin van de zomer
is een oud gebruik dat al bij de Germanen en Saksen voorkwam.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Willems, Vlaemsche liederen (1848)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Sikkels klinken, sikkels blinken
ruischend valt het graan.
Zie de bindsters garen
zie in lange scharen
garf bij garven staan
garf bij garven staan.
't Heeter branden op de landen
meldt den middagtijd.
't Windje, moe van 't zweven,
heeft zich schuil begeven
en nog zwoegt de vlijt
en nog zwoegt de vlijt.
Blijde maaiers, nijv're zaaiers
die uw loon ontvingt
zit nu rustig neder
galm' het mastbosch weder
als gij juichend zingt
als gij juichend zingt.
Slaat uw oogen naar den hoogen
alles kwam vandaar.
Zachte regen daalde
vriend'lijk zonlicht straalde
mild op halm en aar
mild op halm en aar.
Bekend onder de titel: Oogstlied.
Tekst: A.C.W. Staring.
Muziek: A. Lijsen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Slaat op den trommele van dirre dom deine,
slaat op den trommele van dirre dom does,
slaat op den trommele van dirre dom deine,
'Vive le Geus' is nu de loes!
Vive le Geus, wilt christelijk leven,
vive le Geus, houdt fraaie moed,
vive le Geus, God behoed' u voor sneven,
vive le Geus, edel christenbloed.
Oflaat intijds nog Gods woord te krenken,
oflaat intijds nog uw godloos spel,
oflaat intijds, och wilt u bedenken,
oflaat intijds en valt God niet rebel.
Geuzenlied.
loes: leus / sneven: zondigen / oflaat: houdt op /
val niet rebel: kom niet in opstand
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Nieu geusen lieden boecxken (1581) KB
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Het spruit aan de boomen, het groent in de wei
en vogeltjes zingen een liedjen er bij.
Zij keerden naar hier weer, van 't zonnige zuid
en vieren de lente met vroolijk geluid.
Wat vriend'lijke klanken! Wat schitt'ring van kleur!
Wat zonnegetoover en lieflijke geur!
En klanken en kleuren en geuren en zon
ze zeggen ons blijde: het voorjaar begon!
Tekst en muziek: C.J.C. Geerlings.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Stort tranen uit schreit luide, weent en treurt!
Och, 't dunkt mij dat mijn herte barst en scheurt!
O dag, o dag, o donker droeve dag,
wat is er al gehuil en groot geklaag!
O Nederland, uw vorst, uw prins zo vroom,
die daar de blom was van d'Oranjeboom,
die door zijn deugd u van het Spaans gesoord
zo heeft beschermd, leit nu eilaas vermoord!
Gelijk de zon het licht is van den dag,
zo ook deez' prins ons licht te wezen plach.
Die raad en daad hier bij ons in geweest
is nu ontzield, bij Gode leeft zijn geest.
Als de Maraan 's lands vrijheid drukte zeer,
met moord en brand dat nog vervulde meer,
heeft deze prins daartegen hem gekant
end' opgezet zijn goed en bloed voor 't land.
Gij vrome, d'wijl dat dit zo is geschied
en dat het nu kan wezen anders niet,
vertrouwt op God: door 's prinsen spruiten haast
zal Spanje nog verwerd staan en verbaasd.
Geuzenlied.
gesoord=gebroed / Maraan=Spanjaard
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).

De Nederlandse leeuw wordt vermorzeld door
Alva, Granvelle en Margaretha van Parma.
In: Valerius, Gedenck-clanck (1622).
|