Die nachtegaal die zank een lied, dat leerde ik.
Ik heb er een verholen lief, die vrijde ik.
En die wil ik niet laten, ja laten,
ik hope nog een kort half nacht
in mijn liefs arm te slapen.
Die moeder van den bedde sprank, ontstak haar licht,
zij vand haar jongste dochter op haar bedde nicht.
Waar is zij nu gegangen, ja gangen?
Nu is mijn jongste dochter weg
met een zo vreemde manne.
Hij en was mij al zo vreemde niet, hij had mij lief.
Hij voerde mij over die heiden, hij misdede mij niet.
Hij voerde mij over de heiden, ja heiden,
daar twee schoon liefkens tsamen gaan,
hoe node is 't dat zij scheiden!
Daar twee goe liefkens tsamen aan den danse gaan,
hoe vriendlijk dat zij haar oogskens op malkander slaan,
gelijk die morgensterre, ja sterre,
mijn harteken is van zulker aard,
bruin oogskens zie ik geerne.
Middeleeuws / 16e eeuws lied.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Nieu Amstelredams liedtboeck (1591)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
's Nachts rusten meest de dieren
ook mensen, goed en kwaad
en mijn lief goedertieren
is in een stille staat.
Maar ik moet eenzaam zwieren
en kruisen hier de straat.
Ik zie het zwierig drijven
ik zie de klare maan
ik zie dat ik moet blijven
alleen mistroostig staan.
Ach lief, wilt mij gerijven
met troostelijk vermaan.
Ach lelie hoog verheven
verheven in mijn zin
mijn hope van mijn leven
gewenste schoon vriendin,
wilt mij, u jonstig, geven
een lieve wedermin.
Met hoop en vrees bevangen
met een gestage strijd
van zorgen en verlangen
verwacht ik nu ter tijd
van u mijn troost t'ontvangen
't woord daar men lang om vrijt.
Mijn vruchteloos verwachten
mijn kommer niet en blust.
Zult gij mij heel verachten
och voester van mijn lust?
Maar ziet, ik onbedachte
klaag, nu zij leit en rust.
Och slaapt gij, mijn behagen
dewijl ik doe mijn klacht?
Wat baat mij dan mijn klagen
nu gij den doven slacht?
Ik zal 't geduldig dragen
ik wens u goede nacht.
Adieu prinsesje jeugelijk
mijn vrouw van mijn gemoed,
adieu, en droomt geneugelijk
en slaapt gerust en zoet.
Ach, 't is mij zo onmeugelijk
te rusten als gij doet.
Tekst en muziek: G.A. Bredero (1585-1618).
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Bredero (1622)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Natuur ligt in droomen verzonken
het maantje blikt vriendelijk neer
en honderden sterretjes spiegelen
zich zacht in het heldere meer.
Het windeke suist in de boomen
en wiegelt de vogels in rust
het bloemeke hult zich in 't loover
door 't koeltje in sluim'ring gesust.
Daar ginds door 't gebladerte scheem'ren
de lichten der rust'looze stad
en werpen een spookachtig schijnsel
een dwaallicht op 't eenzame pad.
Zij roepen en lokken ons steêwaarts
te midden van drukte en gewoel
waar vriend'lijke zomernachtsstilte
verstoord wordt door drukte en gejoel.
Al lokt gij ook schitt'rende lichten
zoo vleiend naar plein en naar gracht
wij vlieden de woelige stralen
en kiezen de rust van de nacht.
Hier willen wij volop genieten
Van 't zwijgende zomerse uur
hier willen wij zacht leeren staam'len:
'Hoe schoon is, o God, de natuur!'
Bekend onder de titel: Avondliedje.
Tekst en muziek: F. Silcher.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Nu breekt uit alle twijgen,
het frisse jonge groen.
De leeuweriken stijgen,
de hemel tegemoet. (2x)
De bloemen staan in bonte tooi.
Natuur, wat ben je wondermooi.
't Is Meie, 't is Meie. (2x)
En als de knoppen springen,
ontwaakt het gans heelal.
De vogels gaan weer zingen,
de beek ruist in het dal. (2x)
En daav'rend schalt de jubeltoon.
Natuur, wat ben je wonderschoon.
't Is Meie, 't is Meie. (2x)
De hoge bomen wiegen,
in gulden zonneschijn.
Hoe hoog de vogels vliegen,
o, mocht ik met hen zijn. (2x)
En jubelen op blijde toon.
Natuur, wat ben je wonderschoon.
't Is Meie, 't is Meie. (2x)

Middeleeuwse troubabours
spelen bij een maaltijd.
|