Laat zang en spel, tamboer en fluit
nu klinken tot Gods eer;
dat orgel, citer, harp en luit
ook opga voor den Heer,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alve den tiran.
Gods goedheid wezen moet verteld,
die nog zo voor ons zorgt
en ons Den Briel en Maze stelt
als tot een vaste borcht,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alve den tiran.
De Spanjaart wordt nu een gebit
in zijnen muil geleit;
God zij, die daar omhoge zit,
gedankt in eeuwigheid,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alve den tiran.
Gij prinsen, heren van ons land,
maakt ons de Spanjaard kwijt.
Malkandren trouwlijk bied de hand
in Godes vrees altijd,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alve den tiran.
Geuzenlied.
wijze: gebruik
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Langs berg en dal klinkt hoorngeschal,
met vollen zuiv'ren toon,
met vollen zuiv'ren toon,
en forsch en stout weerklinkt door 't woud
die galm zoo schoon, zoo schoon,
die galm zoo schoon, zoo schoon.
't Geeft schooner kleur en frisscher geur
aan alles wat me omringt,
aan alles wat me omringt,
en 't beekje spat zijn paarlend nat,
alsof 't een liedje zingt,
alsof 't een liedje zingt.
Genot en rust en levenslust
daalt bij die melodij,
daalt bij die melodij,
verdriet en smart wijkt uit het hart
en vlucht, en vlucht van mij
en vlucht, en vlucht van mij.
Bekend onder de titel: De waldhoorn.
Muziek: F. Silcher.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).

Jan en Caspar Luyken,
100 etsen van beroepen met moraliserende rijmpjes.
De luitspeler (ca. 1690).
|