Hannes loopt op klompen
zimpe, zampe, zompe
door de plassen dat het spat
broek en kousen worden nat,
moeder roept: 'Hans, laat het hoor!'
Hannes trapt maar dapper door
hij laat zich niet lompen!
Hanneske zit buiten
ritte, ratte, ruite
op de ruiten krast hij daar
vader vindt het schriklijk naar,
roept: 'Zeg Hannes, wees wat stil!'
denk je dat hij 't laten wil?
Hij laat vader fluiten!
Hannes zit te morren
lirre, larre, lorre
in de school als meester zegt:
'Hannes zit wat beter recht,
kijk naar 't bord, kijk in je boek!'
Brommig roept hij: 'Wel, dat doe 'k!'
Wat geeft hij om knorren!
Hannes zit te brommen
rimme, ramme, romme
op zijn vader, op zijn moe,
snauwt zijn broers en zusjes toe
heeft met niemand ooit geduld
zeg hem: 'Jij heft zelf de schuld!'
Nou daar mot je om komme!
Wil je 't eens proberen
lirre, larre, leere
iets te maken van het kind
't is verloren moeite vrind!
Jongetjes zo vol venijn
kinderen die zo koppig zijn
kun je niet bekeren!
Tekst: N. Doumen.
Muziek: P. Loots.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
de zilveren vloot van Spanje?
Die had er veel Spaansche matten aan boord,
en appeltjes van Oranje!
Piet Hein, Piet Hein,
Piet Hein, zijn naam is klein,
zijn daden bennen groot,
zijn daden bennen groot,
die heeft gewonnen de zilveren vloot,
die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot!
Zei toen niet Piet Hein, met een aalwaerig woord:
"Wel jongetjes van Oranje,
Kom klim 'reis aan dit en dat Spaansche boord
en rol me de matten van Spanje!"
Piet Hein, Piet Hein,
Piet Hein, zijn naam is klein,
zijn daden bennen groot,
zijn daden bennen groot,
die heeft gewonnen de zilveren vloot,
die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot!
Klommen niet de jongens als katten in 't want
en vochten ze niet als leeuwen?
Ze maakten de Spanjers duchtig te schand,
tot in Spanje klonk hun schreeuwen.
Piet Hein, Piet Hein,
Piet Hein, zijn naam is klein,
zijn daden bennen groot,
zijn daden bennen groot,
die heeft gewonnen de zilveren vloot,
die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot!
Kwam er nu nog eenmaal zo'n zilveren vloot
zeg zou jelui nog zo kloppen?
Of zoudt gij u veilig en wel, buiten schoot,
maar stil in je hangmat stoppen?
Wel! Neêrlands bloed
dat bloed heeft nog wel moed!
Al bennen we niet groot
al bennen we niet groot
we zouden winnen de zilveren vloot,
we zouden winnen, nog winnen een Zilvervloot!
Tekst: J.P. Heije.
Muziek: J.J. Viotta.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Help nu uzelf, zo helpt u God
uit der tirannen band en slot,
benauwde Nederlanden.
Gij draagt den bast al om uw strot:
rept fluks uw vrome handen!
De Spaanse hoogmoed vals en boos
zand u een beudel goddeloos,
om u godloos te maken
Gods Woord rooft hij door mensengloss
en wil u 't geld ontschaken.
Zo neemt hij elk zijn hoogste goed:
die 't woord, der zielen voedsel zoet,
om draf niet willen derven,
bekopen 't met haar rode bloed
of moeten naakt gaan zwerven.
Mar die zijn hert op Mammong stelt
moet ook omberen 't lieve geld,
zijn god, zijn vlees betrouwen.
Hij eist de tienden met geweld:
die 't geeft zal niet behouwen.
O Nederland, gij zijt belaân!
Dood ende leven voor u staan:
dient den tiran van Spanje,
of volgt, om hem te wederstaan
den prinse van Oranje.
Helpt de Herder die voor u strijdt,
of helpt de wolf die u verbijt.
Weest niet meer neutralisten!
Vernielt den tiran, 't is nu meer dan tijd,
met al zijn tirannisten!
Geuzenlied.
vrome=dappere / zand=zond / beudel=beul /
mensengloos=menselijke verklaring / draf=afval
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Geusen lieden boecxken (1570) KB
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Here, kere van ons af
uw vertorend aangezicht,
en door deez' verdiende straf
ons verblind verstand verlicht!
Dat uw vriendelijk gelaat
lichtend over ons mag staan,
en uw uitverkoren zaad
eens toch mag met vrede gaan.
Toom en breidel 's vijands macht,
die 't al in beroeren stelt.
Heer, verschijn eens zo met kracht,
dat hij ruimen moet het veld,
en uw volk na zulk een werk
veilig eenmaal opgaan mag
in uw lieve, heil'ge Kerk,
u te loven nacht en dag.
Doch zo 't U believen zal,
dat Gij ons nog langer zult
laten in dit ongeval,
geef ons, Here, toch geduld.
Laat dan uwe wil geschien,
want voorzeker en gewis
Gij kunt weten en voorzien,
wat ons meest van node is.
Geuzenlied.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Valerius (1626)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Heer Halewijn zong een liedekijn,
al wie dat hoorde wou bij hem zijn.
En dat vernam een koningskind,
die was zo schoon en zo bemind.
Zij ging voor haren vader staan:
Och vader, mag ik naar Halewijn gaan?
Och neen, gij dochter, neen gij niet:
die derwaart gaan en keren niet.
Zij ging voor hare moeder staan:
Och moeder, mag ik naar Halewijn gaan?
Och neen, gij dochter, neen gij niet!
Die derwaart gaan en keren niet.
Zij ging al voor haar zuster staan:
Och zuster, mag ik naar Halewijn gaan?
Och neen, gij zuster, neen gij niet!
Die derwaart gaan en keren niet.
Zij ging voor haren broeder staan:
Och broeder, mag ik naar Halewijn gaan?
't Is mij gelijk waar dat gij gaat,
als gij uw eer maar wel bewaart,
en gij uw kroon naar rechten draagt.
Toen is zij op haar kamer gegaan
En deed haar beste kleren aan.
Wat deed zij aan haren lijve?
Een hemdeken fijnder als zijde.
Wat deed zij aan haar schoon korslijf?
Van gouden banden stond het stijf.
Wat deed zij aan haren roden rok?
Van steke tot steke een gouden knop.
Wat deed zij aan haren keerle?
Van steke tot steke een peerle.
Wat deed zij aan haar schoon blond haar?
Een krone van goud en die woog zwaar.
Zij ging al in haars vaders stal
en koos daar 't beste ros van al.
Zij zette haar schrijlings op het ros:
al zingend en klingend reed zij door 't bos.
Als zij temidden 't bos mocht zijn,
daar vond zij mijn heer Halewijn.
Gegroet, zei hij, gij schone maagd,
gegroet, zei hij, bruin ogen klaar,
komt, zit hier neer, ombind uw haar.
Zo menig haar dat zij ombond,
zo menig traantjen haar ontron.
Zij reden met malkander voort
en op den weg viel menig woord.
Zij kwamen bij een galgenveld;
daaraan hing menig vrouwenbeeld.
Alsdan heeft hij tot haar gezeid:
mits gij de schoonste maget zijt,
zo kiest uw dood, het is nog tijd.
Wel, als ik hier dan kiezen zal,
zo kies ik dan het zweerd voor al.
Maar trekt eerst uit uw opperst kleed,
want maagdenbloed dat spreidt zo breed,
zo 't u bespreidde, het ware mij leed!
Eer dat zijn kleed getogen was,
zijn hoofd lag voor zijn voeten ras,
zijn tong nog deze woorden sprak:
Gaat ginder in het koren
en blaast daar op mijn horen,
dat al mijn vrienden het horen.
Al in het koren en gaan ik niet,
op uwen horen en blaas ik niet:
moordenaarsraad en doen ik niet.
Gaat ginder onder de galge,
en haalt daar een pot met zalve,
en strijk dat aan mijn roden hals.
Al onder de galge en ga ik niet,
uw roden hals en strijk ik niet:
moordenaarsraad en doe ik niet.
Zij nam het hoofd al bij het haar
en waste 't in een bronne klaar.
Zij zette haar schrijlings op het ros;
al zingend en klingend reed zij door 't bos.
En als zij was ter halver baan,
kwam Halewijns moeder daar gegaan:
schoon maagd, zaagt gij mijn zoon niet gaan?
Uw zoon heer Halewijn is gaan jagen;
g' en ziet hem weer uws levens dagen.
Uw zoon heer Halewijn is dood;
ik heb zijn hoofd in mijnen schoot,
van bloed is mijnen voorschoot rood.
Toen z' aan haars vaders poorte kwam,
zij blaasde den horen als een man.
En als de vader dit vernam,
't verheugde hem dat zij wederkwam.
Daar werd gehouden een banket,
het hoofd werd op de tafel gezet.
Mogelijk middeleeuws lied; datering onzeker
(voor het eerst opgetekend in de 19e eeuw;
J.F. Willems noteerde het rond 1830 van een los liedblad).
vrouwenbeeld: vrouwen-lijk
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Willems (1848)
Coussemaker (1856)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Hier is onze fiere Pinksterblom
en ik zou hem zo graag eens wezen!
Met zijn mooie kransen op het hoofd
en met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom,
gelief j' ook wat te geven
voor de fiere Pinksterblom
want de fiere Pinksterblom moet voort!
Pinksterblom: pinksterbruid, voorjaarsfeest rond pinksteren.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
J. Kunst (1947)
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Hoe zachtkens glijdt ons bootje
daar op het spieg'lend meer,
de riempjes, net en proper,
gaan luchtig op en neêr.
De golfjes kabb'len spelend
al tegen 't bootje aan
en ginds zien wij den toren
in groene boschjes staan.
Maar wie wil spelevaren
zij wijs en welbedacht,
want menig voer in 't bootje
die dood werd thuisgebracht.
Het bootje is zoo wankel,
het is zo rank en smal,
wie met gevaren spotten
zijn beter aan de wal.
Tekst: P. Parson.
Muziek: W.H. de Groot Wz.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Holland, ze zeggen: je grond is zoo dras,
maar mals zijn je weiden en puik is je gras
en vet zijn je glanzende koeien.
Fris waait de wind door je wuivende riet,
groen zijn je dorpjes in 't neev'lig verschiet,
rijk staan je gaarden te bloeien.
Blank is je water en geurig je hooi,
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!
Holland, ze zeggen: je bent maar zoo klein,
maar wijd is je zee en je lucht is zoo rein
en breed zijn je krachtige stromen.
Goud is je graan op je zand en je klei,
purper het kleed van je golvende hei,
stoer zijn je ruisende bomen.
Holland, ik min je om je heerlijke tooi,
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi
Tekst en muziek: S. Abramsz.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Holland met zijn malse wei,
Holland met zijn paarse hei,
met zijn vlakten van fluweel,
Holland is een landjuweel.
Siert de lente Hollands wei,
met haar fulpen groene sprei.
'k Hoor de dart'le koetjes loeien,
'k zie de speelse kalfjes stoeien.
't Landvolk dansen bij de veel,
Holland, Holland is een landjuweel.
Brandt de zomer op het land,
'k zie de nijvere boerenstand
zwoegend langs hun akkers gaan,
deinend van het rijpe graan.
's Morgens vroeg en 's avonds spâ,
Holland, Holland heeft geen wedergâ.
Kleurt de herfst weer veld en bos,
met zijn geelgekleurde dos,
'k zie het bruin en geel zich weven,
langs de goudgetinte dreven,
siert hij velden, beemd en pad,
Holland, Holland is een kleurenschat.
Snoert de winter stroom en gracht,
Holland is en blijft een pracht.
'k Zie de paartjes lustig zweven,
door de wit besneeuwde dreven
op het spiegelgladde ijs,
Holland, Holland is een paradijs.
Holland met zijn malse wei,
Holland met zijn paarse hei,
met zijn vlakten van fluweel,
Holland is een landjuweel.
Tekst: W.H. Kirberger.
Muziek: G. Beijerle.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Hollands vlag, je bent mijn glorie.
Hollands vlag, je bent mijn lust.
'k Roep van louter vreugd victorie,
als ik je zie aan vreemde kust.
'k Roep van louter vreugd victorie,
als ik je zie aan vreemde kust.
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal.
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal.
Als je haar in vreemde baaien,
mijlenver van eigen strand
zwierig van de mast ziet waaien,
als een groet van 't vaderland,
zwierig van de mast ziet waaien,
als een groet van 't vaderland:
voel je een vreemd verheugenis,
voel je eerst recht hoe mooi ze is,
voel je een vreemd verheugenis,
voel je eerst recht hoe mooi ze is.
Tekst: G.W. Lovendaal.
Muziek: J.P.J. Wierts.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Hoort, zegt het voort, dat nu jong Nederland
niet meer teert op de kracht
van een roemrijk geslacht,
maar aan 't werk gaat met eigen hand.
Werk maakt ons sterk, helpt ons in het leven voort,
wij rusten niet uit,
want wij willen vooruit
daar de toekomst aan ons behoort.
Naar de duinen, naar de bosschen,
't volle leven tegemoet,
want den frisschen zin
brengt de buitenlucht er in
en een waakzaam oor
houdt ons op het rechte spoor.
Hij die eens de vlag wil hijschen
op het werk van onzen tijd
houde vol zijn keus,
blijve trouw aan onze leus:
wij zijn bereid.
Bekend onder de titel: Padvinders mars.
Tekst: M. de Wijs-Mouton.
Muziek: P.A. Rubens.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Hopsa, heisasa, 't is in de maand van mei, ja ja!
Rooie neuzen zijn verdwenen,
dooie vingers, prikkelteenen,
al dat kil en koud verdriet
heb je in de meimaand niet.
Hopsa, heisasa, 't is de maand van Mei!
Hopsa, heisasa, 't is in de maand van mei, ja ja!
Weg met dikke winterjassen,
weg met mutsen, wollen dassen.
Moortje heeft zijn werk gedaan,
Moortje kan naar zolder gaan.
Hopsa, heisasa, 't is de maand van Mei!
Hopsa, heisasa, 't is in de maand van mei, ja ja!
Jongens, kom, we gaan aan 't stappen
om wat frisse lucht te happen.
Alles staat in lentetooi,
o wat is de mei toch mooi!
Hopsa, heisasa, 't is de maand van Mei!
Tekst: O.S. van der Veen.
Muziek: J. Reckers.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).

Een nieu Geusen lieden boecxken, 1581.
Titelblad van het Geuzenliedboek
(ex. Koninklijke Bibliotheek).
|