Aan d' oever van een snelle vliet
een treurend meisje zat.
Zij weende, zij schreide van verdriet
het gras van tranen nat.
Een heer die wandelt langs de vliet
bespeurt haar bittere smart.
Dat hij het meisje wenen ziet
treft zijn meedogend hart.
Zij zuchtte en zag hem treurend aan
en sprak: 'Ach, brave man,
een arme wees ziet gij hier staan,
die God slechts helpen kan.
Ziet gij dat groene bergje niet,
daar is mijn moeders graf.
Ziet gij den oever van dees vliet,
daar gleed mijn vader af.
De felle stroom verwon hem dra,
hij worstelde en hij zonk.
Mijn broeder sprong hem achterna,
helaas!, ook hij verdronk'.
Hij nam haar vriend'lijk bij de hand,
hij, met haar lot begaan,
hij gaf haar kleren naar zijn stand
voor weesjes kleren aan.
Zij at zijn spijs, zij dronk zijn drank,
gestadig, dag bij dag.
Heb dank, o edel brave man,
voor zo een goed gedrag.
Vertaling van 'An einem Fluss der rauschend schoss' (1781)
Dit lied is o.m. opgenomen in:
R. Hol, Vaderlandsch liedeboek (1891) (zie: Bronnen).
Al die willen te kaap'ren varen
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die ranzige tweebak lusten
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die deftige pijpkens smoren
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die van stormen en golven houden
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die met ons de walrus killen
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die dood en duivel niet duchten
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Al die willen te Kaap'ren varen
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, die hebben baarden,
Jan, Pier, Tjores en Corné,
die hebben baarden, zij varen mee!
Alle man van Neêrlands stam,
voelen zich der vaad'ren zonen,
willen vrij op 't plekje wonen,
dat hun tot een erfdeel kwam.
Eigen meester, niemands knecht,
recht en slecht,
stalen vuist en rappe hand,
zoo is 't volk van Nederland.
Toen, gezengd door oorlogsvlam,
't vaderland was in gevaren
vochten wij wel tachtig jaren,
tot er heerlijke uitkomst kwam.
Offerden met mannenmoed,
goed en bloed,
tot het klonk langs beemd en strand:
vrij is 't volk van Nederland!
Zoo zal 't zijn door d'eeuwen heen:
vrije Friezen, ronde Zeeuwen.
Gelres helden, Hollands leeuwen.
Eén voor allen, allen één!
Aan Wilhelmus van Nasouw,
hou en trouw,
blijft ons aller hart verpand,
aan ons dierbaar Nederland.
Tekst: J.G. Nijk.
Muziek: H.J. den Hertog.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Alle mijn gepeis doet mij zo wee.
Wien zo zal ik klagen mijn verdriet?
Die liefste en acht op mij niet meer.
Eilasen, wat is mij geschied?
Ik mag wel zeggen: 't is al om niet
dat ik aldus labeure.
Dies wil ik zingen een vrolijk lied:
verlangen, gij doet mij treuren.
Moet ik nu derven die liefste mijn,
zo moet ik treuren tot in der dood.
Haar eerbaar wezen, haar klaar aanschijn,
dat brengt mij nu in lijden groot.
Helpt mij, schoon lief, uit dezer nood
en wilt mij daar niet in laten.
Wat ik vermag, schoon roze rood,
dat koomt u al te baten.
Die goed, gestadige minne draagt,
ende daar hij dan wordt bedrogen,
voor Gode moet da zijn geklaagd
met twee beweenden ogen.
Men mag wel zeggen: 't is grote pijn
die 't minnen niet en kan gelaten.
Nochtans komt hem al in den armen zijn
zijn lief tot zijnder baten.
Gaaf' zij mij nu een troostelijk woord,
zo waar' mijn treuren al gedaan.
Mer lasten, neen zij, nog geen confoort
en kan ik van die alderliefste ontvaan.
Dat zal mij kosten menig traan,
mag ik genen troost van har verwerven.
Schoon lief, wilt mij in staden staan:
van rouw zo moet ik anders sterven.
Middeleeuws lied.
gepeis: gepieker / labeure: tob
mer lasen, neen zij: maar helaas, dat doet zij niet
in staden staan: helpen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Als de kat van huis is dansen de muizen
dansen, dansen, dansen de muizen
dan dan dan dan dansen de muizen.
Canon.
Muziek: C. Lahusen.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).
Als de winter vlucht voor de lentelucht
en de zon het nieuwe leven wekt.
Als een bloesemkroon met haar teder schoon,
in de hof de naakte twijgen dekt.
Dan zingt al wat leeft en zingen kan verblijd:
"Wees gegroet, volschone lentetijd.
Wees gegroet! Wees gegroet!
Wees gegroet volschone lentetijd!"
Ja, ons hart gloeit, nu 't viooltje bloeit,
nu ons 't madeliefje tegenlacht.
En met blijde klank brengen w' onze dank,
voor de zonneglans de bloemenpracht.
Zo weerklinke ons lied dan wijd en zijd:
"'k Heb u lief, o schone lentetijd!
'k Heb u lief, 'k heb u lief ,
'k heb u lief, o schone lentetijd!"
Tekst: J.A. Böhringer.
Muziek: Cath. van Rennes.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Als goede kind'ren slapen zacht
dan houden eng'len trouw de wacht,
staan aan hun bedje, hoeden hen teer,
zien op de kind'ren met liefde neer.
Maar zijn de kind'ren opgestaan,
dan mogen d' eng'len slapen gaan.
Nu reikt niet langer, eng'len, uw macht,
God, onze Vader, houdt zelf de wacht.
Vertaald uit het Hoogduits.
muziek: Catharina van Rennes.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Kun je nog zingen (1972) (zie: Bronnen).
Arge winter gij zijt koud,
vergangen is ons 't groene woud,
vergangen zijn ons die loverkens aan der heiden.
Die loverkens die aan der heiden staan
daarop zingt die nachtegale,
van minnen zinget ons die fiere nachtegale.
Tsavonds als ik slapen ga,
vind ik mijn bed alleine staan,
daarop zo rust die fiere nachtegale.
Tsmorgens als ik opsta,
ende ik mij wel gesiered ha,
zo komt mijn lief ende biedt mij goeden morgen.
Middeleeuws lied.
Dit lied is o.m. opgenomen in:
Het Antwerps liedboek (1544) - boek - - cd -
Pollmann en Tiggers (1977) (zie: Bronnen).

Antwerps liedboek (1544).
Oudst gedrukte liedboekje met
Nederlandse wereldse liederen.
- uitgave en cd -
- achtergrondinfo -
|